Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo blijkt, dat ccn parochie wel corporatief georganiseerd kon zijn en rechtssubjectiviteit en vermogen hebben kon, maar dat dit enkel in concretis kan worden aangenomen en uit het zijn van parochie op zich zelf niet voortvloeit *).

Al is dus de mogelijkheid, van gemeente- of parochieeigendom onder het Canonieke recht niet uitgesloten, zoo blijft het nog de vraag, of onder de rechten, die aan een parochie konden toekomen, bv. omtrent het beheer van het kerkegoed, ook werkelijk de vermogensrechten voorkwamen, die het fabrieks-, het pastorie-, het vicarievermogen etc. vormden. Deze vraag vindt in het Canonieke recht haar ondubbelzinnige oplossing. Als zoodanig had de gemeente omtrent de goederen geenerlei rechten 2); met de pastoralia had zij in het geheel niets uitstaande , evenmin als met eventueele vicariegoederen, daar deze tot het pastoorsbenefice en de vicarie behoorden en zoodoende door de bezitters van deze beheerd werden; of haar omtrent de kerkegoederen eenig recht toekwam, werd bepaald door de kerkstichting en de daarbij getroffen regeling 3). Het bestaan van pastorie en vicarie hing af niet van de gemeente maar van de geestelijke Overheid, aan wie de dispositie over geestelijke beneficiën toekwam; de gemeente had hierbij geen stem

luidt; die haben den Priester zu kiesen..., und der Propst hat ïhm den

Altar zu leihen". Cf. 1. c. p. 582 noot 4.

Niet als gemeente Christi maar als kerkbouwende dorpelingen competeerde hun

het collatierecht. Cf. Mr. Boeles, Armengoederen pp. 45 sqq.

1) Hübler (1. c. pp. 82—84) ziet ten onrechte in elke parochie een, zij het ook los gebonden, corporatieve eenheid. Mogelijkheid en werkelijkheid zijn lang niet hetzelfde!

Ook Meurer (1. c. II. pp. 154 sqq.) ziel >n een gemeente op zich zelve reeds een corporatie; hij gaat zelfs zoover, niet enkel een parochie als zoodanig te beschouwen maar ook aan de „Kapellengemeinden" corporatief karakter toe te kenjien. Cf. Richter-D. 1. c. p. 1086 noot 12.

2) Cf. Hübler 1. c. p. 84.

3) De meening van Mr. Lohman (1. c. p. 84), dat het eigendomsrecht eener gemeente moet worden aangenomen als zij het beheer der goederen heeft, is dan ook onjuist.

Cf. de juiste opmerking van Dr. Kleyn, Alg. Kerk etc. P. 239. Het een,ge wat gezegd kan worden is, dat de ontstentenis van gemeentelijke administratie, die regel was, ten nadeele van de gemeentetheorie is; meer niet. Aldus: Meurer l.c.I.

PP- 343> 344-

Sluiten