Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in het kapittel *). Er was niet één parochiaal of gemeentelijk vermogen, maar er bestonden in elke parochie verschillende zelfstandige vermogens, die met elkaar in rechtsverkeer stonden , van welke sommige de bestemming hadden in de religieuze behoeften der parochianen te voorzien en andere, als bv. kloosters, buiten het parochieverband stonden 2). Derhalve is de theorie van het gemeenteeigendom naar het Canonieke recht eensdeels in strijd met de feiten wat de goederen met parochiale bestemming betreft en andersdeels ongenoegzaam wat betreft de geestelijke goederen zonder parochiale bestemming 3).

Dat men ook ten bate van deze theorie de bestemming der goederen aanvoert, om dan te concludeeren: wat voor de parochie is, is van de parochie, ligt voor de hand; de identificeering van bestemming en eigendomsrecht is het geliefkoosde wapen in den wetenschappelijken strijd over de geestelijke goederen 4). Van dit gezichtspunt is ook te beschouwen het

1) Het feit, dat de gemeente geenerlei actieve bevoegdheid had omtrent de parochiale goederen, sluit haar eigendomsrecht nog niet uit; de hier bedoelde hiërarchische bevoegdheden sproten niet voort uit eigendoms- maar uit hoogheidsrecht; als zij het gemeentelijke eigendomsrecht uitsloten, zou dit voor elke theorie behalve de „Gesammtkirchentheorie" gelden. Cf. Richter-D. 1. c. p. 1086.

Het maakt het echter wel onwaarschijnlijk en in elk geval tot een blooten naam. Eichhom (1. c. II. pp. 649, 650), die de gemeente als het subject van de parochiale goederen beschouwt, erkent dan ook, dat de gemeenten naar het Canonieke recht niet „fahig" zijn „jene Eigenthumsrechte auszuüben, oder auch nur selbststandig ihr Interesse bei der Ausübung derselben wahrzunemen; sie werden in dieser Hinsicht durch den ihnen vorgesetzten Geistlichen vertreten". Deze uitspraak is overigens onjuist èn wat de vertegenwoordiging zelve der gemeenten door de geestelijkheid betreft, èn wat betreft haar absoluut karakter, daar de geestelijkheid niets met de kerkegoederen te maken had.

2) Cf. Hübler 1. c. p. 86 en Mr. Lohman 1. c. pp. 84, 87, 88.

3) Cf. Richter-D. 1. c. p. 1080.

4) Cf. Hübler 1. c. pp. 80, 87. Zoo wordt bv. door Dorner geleerd: „Was an religiösen Instituten der einzelnen Kirchengemeinde dient, ist Eigenthum derselben." Deze auteur gaat. zelfs zoover, de gemeente als het eenig mogelijke subject van kerkelijke en geestelijke goederen te beschouwen, hetgeen hem tot de volgende vermakelijke conclusiön brengt: „was einem allgemeinen Zweck dient, wie DiücesanKlüster u. s. w., ist Eigenthum der Staatsgesellschaft, in welcher sie sich zur Erreichung des Staatszwecks , des religiösen Lebens befinden, und nur solange im Gebrauch der Priesterkaste, als der Staat nicht — bei Ausübung des jus refor mandi — sein Eigenthum in vollen Selbstbesitz nimmt... Der Klosterconvent ist

Sluiten