Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkel ten behoeve eencr richtige administratie bestonden en geen eigen doel hadden; het zou met de Kerk en hare instituten zijn als met den Koning en de in zijn naam het recht bedeelende rechters, aan wie wel gebouwen etc. in gebruik gegeven worden zonder dat hun daarom het eigendomsrecht daarvan toekomt. Dit bezwaar, dat de veelheid der vermogens niet ongeschied maken kan en derhalve onjuist is, zou hoogstens in iure constituendo in aanmerking kunnen komen,.doch zelfs dan geen hout snijden, daar het bestemming en eigendomsrecht dooreenhaspelt. De eenheid der Kerk toch hangt af niet van de vermogensrechtelijke regeling *), maar van het bestaan eener machtige hiërarchie; immers zoowel over het ontstaan als het bestaan der geestelijke beneficiën werd beslist door de geestelijke Overheid.

Een tweede argument wordt juist ontleend aan deze oppermacht der hiërarchie 2). Dit bezwaar steunt op een misverstand. Want rechtspersoonlijkheid is niet hetzelfde als onafhankelijkheid ; het is niet in te zien, hoe uit het feit, dat de geestelijke Overheid bevoegd is rechtspersoonlijkheid te verleenen en te ontnemen, de ontstentenis der rechtspersoonlijkheid zou kunnen voortvloeien; hierop toch komt het argument neer 3).

Een derde bezwaar is van praktischen aard en wordt ontleend aan de beweerde nadeelige gevolgen, die de institutentheorie voor de Kerk zou hebben 4). Van wetenschappelijk standpunt is deze grief uit den aard der zaak van geen waarde 5). Het bezwaar betreft de zgn. devolutievraag, d. w. z. de vraag, welk rechtsgevolg intreedt ten opzichte van het vermogen van een geestelijk instituut, wanneer dit ophoudt te bestaan, of deze goederen dan ter beschikking van het wereldlijke dan wel van het geestelijke gezag komen.

1) Cf. p. 161.

2) Cf. Hiibler 1. c. p. 121.

3) Cf. Mr. Lohman 1. c. p. 90. Een andere quaestie is het, of de wereldlijke Overheid deze bevoegdheid van het geestelijke gezag erkent; dit is een staatsrechtelijke vraag, die hier buiten geding is.

4) Cf. Hiibler 1. c. p. 122. Mr. Lohman 1. c. pp. 91, 95, 98.

5) Cf- P- '59-

Sluiten