Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om de disposrtiebevoegdheid van het geestelijke gezag, welke men door de institutentheorie bedreigd achtte ten gevolge van den regel dat bona vacantia aan den Staat vervallen, te redden, hebben sommige aanhangers der theorie verschillende rcchtsconstructies bedacht, over welke ik met een enkel woord moet spreken.

Walter tracht aan te toonen, dat er, ook al valt een kerkelijk instituut weg, toch geen bonum vacans ontstaat *); hiertoe neemt hij een dominium in solidum aan, waarvan de subjecten zouden zijn het instituut en het bisdom. Tot deze constructie houdt hij zich gerechtigd op grond van de dioeccsane vermogenseenheid, die aan het ontstaan der beneficien vooraf ging! -).

In de Würzburger Katholische VVochenschrift wordt onderscheiden tusschen het „subjectum immediatum proprietatis , dat elk geestelijk instituut zou zijn, en het „subjectum remotum proprietatis", dat door de Algemeene Kerk zou worden gevormd ®). Als grond voor deze theorie wordt aangevoerd de eenheid der Algemeene Kerk; deze zou meebrengen, dat hare instituten als vermogenssubjecten golden, doch enkel tegenover derden en niet ten opzichte der Algemeene Kerk zelve, die ondanks de vermogensindividualiseering het „dominium eminens" van alle geestelijke goederen zou bezitten.

Door Majer wordt eveneens de rechtspositie der geestelijke goederen geconstrueerd als een gesplitst eigendomsrecht van de bijzondere instituten en de Algemeene Kerk i). Hij beroept zich op de bestemming der goederen, die niet alleen voor de speciale doeleinden der instituten dienen, maar tevens voor het algemeene doel der Kerk, de verheerlijking Gods. Ook hij keert zich derhalve tegen de behandeling van de goederen van opgeheven instituten als bona vacantia.

Ook Schulte loochent, dat bij het wegvallen van een geeste-

1) Cf. HUbler 1. c. pp. 122, 123, 129, 130; waar de betreffende passage uil Walters Lehrbuch des Kirchenrechts afgedrukt is.

2) Cf. Richter-D. 1. c. p. 1082.

3) Cf. Hubler 1. c. pp. 123, 124, 130, 131; waar men de betreffende plaats vind afgedrukt.

4) Cf. Hübler 1. c. pp. 125, 126, 131, 132. Cf. aldaar het betreffende citaat uii Majers: Ueber das Eigenthum an den geistlichen Giitern und deren Heimfall be vorgehenden Stifts-Innovationem (Ulm 1786).

Sluiten