is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke instelling hare goederen bona vacantia worden *). Hij kent geen rechtsgrond voor een ingrijpen van Staatswege; de geestelijke Overheid is bevoegd aan het half vrij geworden vermogen de bestemming te geven, die haar goed dunkt.

Immers de geestelijke goederen bestaan ten behoeve der bijzondere instituten, maar evenzeer ten behoeve der Algemeene Kerk; valt de bijzondere bestemming der goederen weg, dan blijft de algemeene nochtans in wezen en deze kan weder geindividualiseerd worden naar het goedvinden van de geestelijke Overheid. Ook volgens Schulte is er dus in casu van werkelijke bona vacantia geen sprake; de instituten bestaan slechts in en door het geheel en- het eigendomsrecht wordt door de bestemming bepaald 2).

Al deze theorieën trachten derhalve het vervallen der geestelijke goederen aan den Staat af te wenden. Zij gaan uit van de erkenning der instituten als de subjecten der vermogens en willen nochtans bij het wegvallen der instituten de vermogens niet als subjectloos zien aangemerkt. Dit is natuurlijk een tegenstrijdigheid. Bestemming en eigendomsrecht worden met elkaar verward. De juridische mogelijkheid van een dominium in solidum wil ik niet betwisten3); maar wil zoodanig dominium zich laten gelden, dan moet het zich aandienen als berustende op juridische gronden en het compromitteerende gezelschap van vrees voor nadeel en verwarring van eigendomsrecht en bestemming laten 'schieten. Dat er in de bronnen zelve van dergelijke gezamendehand geen spoor is te vinden, behoeft nauwelijks vermelding.

Wanneer inderdaad, zooals de institutentheorie aanneemt, de

1) Cf. Hübler 1. c. pp. 126, 127, 131, 132; waar de betreffende plaats nit Schulte's Lehrbuch des katholischen Kirchenrechts (Giesz. 1863) is opgenomen.

2) De leer van Schulte is vaag; het is niet recht duidelijk, of hij aan de Algemeene Kerk tegelijk met de bijzondere instituten eigendomsrechten toekent dan of hij deze eerst met het te niet gaan van een instituut op de Algemeene Kerk laat overgaan; het laatste schijnt zijn bedoeling te zijn. Cf. Hübler 1. c. pp. 127, 128, 129 jis. 94 sqq.

3) Ik ben het niet eens met Hübler, als hij (1. c. p. 132) „ein gleichzeitiges Eigenthum Mehrerer an derselben Sache ein juristisches Unding" noemt. Het huwelijksgoederenrecht levert een voorbeeld van een zoodanige rechtsverhouding. Cf. Stobbe I. c. I. p. 433.