Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gelijk reeds op pp. 144 sqq. werd opgemerkt, is het aannemen van het bestaan van onlichamelijke personen een eerst in den loop des tijds ontstane juridische constructie ter verklaring van het feitelijke aanwezig zijn van vermogens, voor welke geene menschelijke subjecten konden worden aangewezen 1). In overeenstemming met het Romeinsche recht erkende men oorspronkelijk veelal de subjectloosheid dier vermogens2), doch om er terstond aan toe te voegen, dat er iuris intellectu, fictione iuris wel degelijk een subject was. Wetenschappelijke, verklarende beteekenis had deze personificatietheorie niet; om redenen van utiliteit mag het aanbeveling verdienen deze vermogenscomplexen te behandelen en te betitelen als personen — hier is niets tegen —, maar in werkelijkheid heeft men er de subjectloosheid niet mee uit de wereld geholpen 3). Geen wonder dan ook, dat men langzamerhand deze fictie heeft laten schieten en gekomen is tot het aannemen van het reëele bestaan van nog andere rechtssubjecten dan de menschen, zonder dat men het evenwel tot eenstemmigheid heeft kunnen brengen, wat deze wezens nu eigenlijk waren.

Waarom heeft men zich niet bij het feit der subjectlooze vermogens willen neerleggen? Is het omdat men achteraf bemerkte , dat er wel degelijk subjecten aanwezig waren, die zich echter uit bescheidenheid of uit welke motieven ook, voor het vulgaire menschdom verstoken hielden en die ten slotte toch ontdekt en uit hunne schuilhoeken te voorschijn gesleept zijn ? Dan hebben zij ook daarna de gave niet verloren , zich onkenbaar te maken. Want hopeloos is men het er over oneens, welk wezen het eigenlijk is, dat als het subject van het vermogen van een weeshuis, een kerk, een pastorie etc. is aan te merken. Of is het omdat men zich geene subjectlooze rechten kon voorstellen, en aldus redeneerde:

von den juristischen Personen verwirft". „In der Sache selbst entsteht durch diese abweichende Auflassung aber kein Unterschied".

1) Ik bepaal mij tot een korte uiteenzetting van mijn standpunt in dezen vooral in verband met de theorie van Zitelmann, Meurer en Lobman, die een wil buiten den inensch op een bepaald doel gericht naast den mensch zelven als rechtssubject aannemen.

2) ({. Zitelmann 1. c. p. 25. Meurer 1. c. I. p. 47 noot 2.

3) Cf. Zitelmann 1. c. p. 20. Meurer 1. c. I. p. 67.

Sluiten