Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo bestrijdt men de subjectloosheid van rechten („door de rechtsorde beschermde wil"!) en komt ten slotte aandragen met den subjectloozen wil als oplossing van het raadsel.

Risum teneatis!

Dat deze theorie principieel onjuist is en abstractie voor realiteit uitvent, springt in het oog. Ze plukt de één en ondeelbare persoonlijkheid uiteen in hare verschillende vermogens; maar de mensch kan nu eenmaal niet gescheiden worden in wilsvermogen en „physisch superfluum", hij zelf en niet iets van hem is rechtssubject, hij is één; als zoodanig is hij subject in verschillende levenssferen; het wilsvermogen, laat staan dan een bepaalde wil, is niet het subject in de rechtssfeer, evenmin als de smaak het is in de culinaire sfeer, etc. En de verbrokkeling gaat zelfs door binnen den wil! Immers door een stichting in het leven te roepen geeft men het leven aan een nieuw wezen, dat naast den stichter komt te staan; zoo leest men bij Meurer: „Nach Errichtung der Stiftung bleibt der zur Zeit der Errichtung abgezweigte Sonderwille der unwandelbare Trager, mag der zurückbleibende Totahville auch noch so sehr wünschen, das Geschehene unmöglich zu machen" *). Kan een wil „wünschen"?! Of moet hij „Totahville" zijn, om dit te kunnen, en is het enkel voor een „Sonderwille" niet mogelijk? Het laatste is te hopen, want gesteld eens, dat die afgetakte speciaal-vvil deernis kreeg met den eenzaam achtergebleven totaal-wil! Er zouden op het rechtsterrein nog heel wat rampen kunnen gebeuren, als een „Sonderwille" eens berouw kreeg over zijn ontvluchting uit het vaderlijke huis!

Naar het uiterlijk te oordeelen zijn er volgens den Heer Lohman subjectlooze rechten; Zitelmann beweert eveneens, dat wie met de feiten rekening houdt subjectlooze rechten erkennen moet. Toch heet het bij beiden, dat zij naar den eisch der logica onbestaanbaar zijn. Ze zijn er dus wel maar ze behoor en er niet te zijn, omdat ze een tegenstrijdigheid in zich sluiten; ze zijn dus niet denkbaar.

De vooropgestelde definitie is de bron van al het schijnbaar diepzinnige theoretiseeren.

i) L. c. I. p. 76 noot 3.

Sluiten