Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men meent bij het spreken over de rechtspersoonlijkheid te verkeeren op logisch, terwijl men inderdaad zich op feitelijk, in casu ethisch terrein bevindt.

De vraag is, of er subjectlooze rechten gijn, niet of zij er kunnen zijn. Door Zitelmann c. s. wordt dit ten eenenmale miskend; a priori neemt hij aan, dat subjectlooze rechten onmogelijk zijn, en als de feiten tegen de stelling indruischen, dan moet zoo'n strijd volgens hem doen erkennen „einen Fehler in der Analyse jenes scheinbar anomalen Rechts gemacht zu haben" i).

Het rechtsbegrip, wordt verder geleerd, „ist nicht etwa blos em aus den empirischen rechtlichen Erscheinungen abstrahirter, d. h. er ist nichts blos Formales, keine magere Zusammenfassung der in allen Rechtsinstituten gleichmassig vorhandenen Merkmale"; neen, „der Rechtsbegriff, richtiger die Rechtsidee wird zur anderen Halfte bestimmt durch philosophische Principien; er hat einen selbststandigen apriorischen idealen Inhalt, aus dem heraus er durch ureigne schöpferische Kraft mit unwiderstehlicher Nothwendigkeit die einzelnen Rechtsgebilde hervortreibt, sowie aus dem Kern sich ein machtiger Baum mit Stamm und Aesten, Blattern und Blüten nur so und nicht anders entwickelt 2).

Dit is alles ongetwijfeld heel fraai gezegd, maar daar is het dan ook mee uit. Gaarne schaar ik mij met Zitelmann c. s. onder de aanhangers van het realisme en houd ik het er voor, dat de dingen dezer wereld door ideeën of typen beheerscht worden, van welke zij de individueele verschijningsvormen zijn; maar deze ideeën beheerschen niet maar een gedeelte maar al het geschapene, en zij beheerschen het dan ook inderdaad: geen feit valt buiten zijn idee. Maar dit wil nu niet zeggen, dat wij die ideeën a priori kennen; de weg, die ons tot haar kennis leidt, is die der waarneming en der abstractie uit het in concretis vvaargenomene; de zoodoende verkregen begrippen,

1) L. c. p. 32.

2) L. c. p. 30; cf. p. 7. Wat het begrip subjectief recht te maken heeft met de rechtsidee, is mij niet duidelijk; Z. licht het dan ook niet toe. Terecht wraakt Meurer deze Zitelmannsche identiticeering, 1. c. I. p. 58 noot 4.

Sluiten