Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om subject van rechten en plichten te zijn, moet zij niet enkel van hen kunnen worden onderscheiden maar reëel van hen kunnen worden gescheiden; en dit nu is juist niet mogelijk, daar de eventueele eenheid bloot immanent is. Stel het geval, dat een rechtspersoonlijkheid verkregen hebbende kegelclub het voorrecht heeft onder hare leden een kegelfabrikant te tellen en dat deze door het bestuur der club begunstigd wordt met de levering van een stel kegels. Levering en betaling hebben plaats; tusschen wie ? Wel, tusschen den fabrikant en de club! Zeker, maar deze heer was lid der club tijdens de levering en de betaling; de club moet dus iets buiten hem zijn, zoo zij n.1. bij de levering en de betaling subject is en rechtens niet maar een bloote naam. Deze scheiding nu tusschen de club en hare leden is niet mogelijk met aanhouding van het lidmaatschap; de club staat en valt met hare leden. Door u te denken, dat de club uit louter kegelfabrikanten bestaat en deze te zamen de leverantie doen, komt het nog scherper uit, dat zij en hare leden slechts onderscheiden niet gescheiden kunnen worden. Men zal antwoorden: tot personae quot qualitates! Zeker, maar dit is een zuivere rechtsftctie, geen realiteit: hoevele qualiteiten iemand ook in zich vereenige, hij is en blijft maar één mensch, al wordt hij rechtens ook behandeld als meerderen.

Om rechtssubject te zijn moest de corporatie iets zijn naast hare leden !), daar zij met deze moet kunnen contracteeren en andere handelingen verrichten en zoodoende met hen in rechtsbetrekking staan. Maar dat is zij niet, zij is enkel van hen te onderscheiden -).

Wie niet kan handelen, wie geen rechten kan uitoefenen, is

1) Cf. Meurer 1. c. I. p. 85 noot 4.

2) In de door Meurer gegeven vergelijking: een corporatie verhoudt zich tot hare leden als een stroom tot zijne droppels, treedt dit duidelijk in het licht. Een droppel staat eerst naast den stroom als hij er uit is genomen; de stroom is niet iets afzonderlijks naast zijne droppels. Welnu, zoo staat het lid eener corporatie volgens M.'s theorie eerst naast deze, als hij er geen lid meer van is, en is de corporatie geen eenheid, die met hare leden handelen kan. Zoo weerlegt M. zich zei ven. (1. c. I. p. 93).

Hoe M. de corporatie kan laten voortbestaan met één lid is niet duidelijk; een rivier van één droppel is een niet alledaagsch verschijnsel. (1. c. I. pp. 95 sqq.).

Sluiten