is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen rechtssubject, maar ivordt als zoodanig behandeld; *) het is een ethische, geen logische vraag, binnen welke grenzen dit laatste geschieden moet, of bv. alle menschen als rechtssubjecten moeten worden behandeld. Wij zullen ons zeer zeker verwonderen, „wenn wir nachstens im Tageblatt als Actionare irgend einer Gesellschaft den Geheimrath A., den Mops Schnauzerl und die Fontanen im Schwanenteich aufgefiihrt lesen, oder wenn wir eine Zeugenvorladung in Sachen der Stute Bellona contra den Pferdeknecht X. erhalten" 2), maar niet omdat onze logica er door wordt aangerand maar omdat het met ons ethische bewustzijn strijdt; logisch maakt een zuigeling geen beter figuur als rechtssubject, ja veeleer een heel wat droeviger, dan de mops Schnauzerl, die wellicht o zoo vernuftig is 3).

Is er nu grond om een corporatie als rechtssubject te behandelen? Deze vraag is van zuiver praktischen aard en laat ik onbesproken. Rechtssubject is zij echter in geen geval, omdat zij geen afzonderlijk bestaan heeft, hetgeen zij zou moeten hebben om werkelijk als draagster van rechten in het leven op te treden.

De leden eener corporatie kunnen organisch, d. i. niet-willekeurig, verbonden zijn. Maar dit doet voor het bestaan van den rechtspersoon niets af; de eenheid behoeft niet van feitelijken, zakelijken aard te zijn, maar kan puur willekeurig wezen , gelegen in een welbewust, willekeurig gekozen doel, zonder eenig zedelijk of aesthetisch karakter. Toch wordt in het recht als eenheid behandeld wat feitelijk niets dan een agglomeraat

1) Wil men hen, die slechts een potentieel of een rechtens irrelevant wilsvermogen hebben, ook rechtssubjecten noemen, mij is het goed; het is, aangezien zij reëel bestaan hebben en toch niet handelen kunnen, niets dan een woordenquaestie, of men zegt: zij zijn rechtssubject, of: zij worden als rechtssubject behandeld.

2) Zitelmann 1. c. pp. 44, 65, 66.

3) Zeer juist zegt Meurer (1. c. I. p. 296): „Die Rechtsfictionen — ihre Zulassigkeit denn einmal vorausgesetzt — erscheinen nicht so sehr als schrankenlose Gedankenschöpfung, dasz sie nicht an der sittlichen Unmöglichkeit ihre Grenze ffinden".

Ten onrechte houdt hij echter de eventueele rechtssubjectiviteit van dieren voor een logische onmogelijkheid. (1. c. I. p. 38).