Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet bij deze, maar bij gene i). Een constructie is een wetenschappelijke verklaring van zekere rechtsverhoudingen; kan men er geen vinden, die past op alle rechtsverhoudingen, dan onthoude men zich liever van een verklaring, dan dat men tot verdichting van feiten, tot mythologische personen zijn toevlucht neemt. Gesteld al eens, dat inderdaad een subjectloos recht niet voorstelbaar ware, dan zou het werkelijk bestaan van subjectlooze rechten moeten leiden tot de slotsom, dat wij hier staan voor een onbegrijpelijk feit; wetenschappelijker is het zichzelven een testimonium paupertatis uit te reiken, dan een ongegronde theorie op te stellen, wier aanneming een zuivere geloofsquaestie is; in onlichamelijke rechtssubjecten nu geloof ik niet, en ik zou er niet in gelooven, zelfs al waren de logische fouten in de redeneering, die tot dit credo leidt, niet aan te toonen; wie er in gelooven wil, hij doe het, maar bewere niet, dat ze feitelijk bestaan.

Onze wet huldigt begrijpelijkerwijze de rechtspersonentheorie zonder voor het „iuris intellectu" of de realiteit der rechtspersonen partij te kiezen; maar als er geene onlichamelijke personen zijn, dan kan de wet door haar machtswoord hieraan niets afdoen; theorie blijft theorie, al staat ze ook in de wet2).

Al wisselt de theoretische verklaring van zekere rechtsverhoudingen, deze zelve blijven, als het feitelijke element, die

1) Terecht schrijft Demelius (Jahrb. für Dogmatik. Bd. IV. Jena 1861. pp. I!3 sqq.):... „als wenn das Recht, die Macht des nationalen Geistes und Verkehrslebens, indem es neue Lebensnormen producirt, nach den Begriffen und Sfltzen fragte, welche seine Diener zu ihrer Bequemlichkeit sich abstrahirt haben, und welche im besten Falie Anspruch haben, so lange als richtig zu gelten, als das Material sich nicht ftndert, aus dem sie abstrahirt sind".

Cf. Zitelmann 1. c. p. 29, Meurer 1. c. I. pp. 58, 59.

2) Dit verliest Mr. Lohman (1. c. pp. 5, 6) uit het oog, als hij meent, dat van het niet aannemen van onlichamelijke personen het gevolg zou wezen, dat krachtens art. 576 B. W. alle stichtingsgoed Staatseigendom zou zijn en dat de saecularisatic ervan dus een bloote opportuniteitsquaestie zou wezen.

Een aardige tegenhanger van deze redeneering is die van Mirabeau d.d. 2 Nov. 1789; hij betoogde, dat een corporatie, dus een zgn. rechtspersoon, een product is van den staatswil en dat daarom in geval van opheffing ervan door den Staat het corporatievermogen den Staat toevalt. Uit de rechtsjïersoonlijkheid leidde hij dus het recht van den Staat, het corporatievermogen aan zich te trekken, af, daar

«3

Sluiten