Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij zijn; al verwerpt men een wettelijke theorie, men blijft toch aan de bindende bepalingen der wet gebonden. Voor tal van rechtsverhoudingen heeft men in de rechtspersonentheorie naar een verklaring gezocht *); de hereditas iacens is als rechtspersoon geconstrueerd, en hetzelfde is geschied met de elkaar opvolgende bekleeders van een ambt, waaraan een vermogensrecht verbonden is, met de bezitters van een onroerend goed waaraan reaalrechten of -lasten kleven, met de houders van waardepapieren, met de familie speciaal de hoog-adellijke, met de echtgenooten, met de gezamendehand in het algemeen, met de handelszaak, met de vennootschap onder firma; het recht zelf wordt hierdoor echter niet veranderd, het blijft wat het is, onverschillig of men tot zijn constructie de rechtspersoonlijkheid te hulp roept of niet.

Zoo blijft ook een stichting een stichting, hoe men haar ook construeert. Als de wet stichtingen toelaat, laat zij ze toe en behandelt zij het stichtingsgoed niet als res nullius, zóó dat het den Staat of den primus occupans zou toevallen en de saecuralisatie een bloote opportuniteitsquaestie zou zijn. Recht is recht, en theorie is theorie. De wet is geen leer- maar een rechtsboek, zij verklaart niet, maar zij bindt.

Waar het thans op aan kwam, was recht en theorie uit elkaar te houden, om zoodoende tot de slotsom te komen omtrent de rechtspositie der kerkelijke en geestelijke goederen: ze behoorden noch aan één noch aan vele rechtssubjecten en zij waren evenmin res nullius of bona vacantia maar bestonden uit tal van subjectlooze vermogens aan een bepaalde bestemming gebonden.

In de gebruikelijke terminologie en volgens de ook in ons recht gehuldigde theorie van het bestaan van onlichamelijke rechtssubjecten is de institutentheorie de juiste, en is deze de constructie, die aan de bedoelde rechtsverhoudingen te geven

het in het leven roepen en het opheffen van rechtspersonen een bloote opportuniteitsquaestie was.

Wie een zeker resultaat wil bereiken, vindt daartoe zeer zeker wel een middel. Cf. llübler 1. c. pp. 58, 59, en pp. 47, 48.

I) Cf. Stobbe 1. c. I. pp. 429 sqq.

Sluiten