is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is i). Wie zich niet wil neerleggen bij wat onbetwistbaar een feit is, het bestaan van subjectlooze rechten, wie van oordeel is, dat de juridische wetenschap dit feit als blooten schijn heeft te ontmantelen ter verzoening van feiten en logica, hij kieze de institutentheorie en construeere zich zijne onlichamelijke subjecten zooals het hem het meest aannemelijk voorkomt.

Het recht zelf, de feiten zelve veranderen er niet door. Meent men dieper te moeten gaan dan een bloote rechtsbeschrijving te geven, men doe het, doch men meene niet, dat men den kring der feiten te buiten gaande, feiten zal vinden. Men geloove vrij in onlichamelijke wezens, maar meene niet, dat deze rechtssubjecten zijn, optredende in het rechtsverkeer der menschen als eigenaars, crediteuren, eischers, gedaagden etc. Homerus had het volste recht de in het leger der Achaeërs woedende pest te construeeren als het gevolg van de pijlen van den vertoornden Apollo, maar wat poëtisch goeden sier kan maken is daarom nog geen werkelijkheid.

Wie onlichamelijke wezens binnen het rechtsverkeer der menschen brengen, doen, zij het met minder poëtischen zin, hetzelfde als Homerus, maar wat deze doen mocht als dichter is niet geoorloofd voor iedereen: quod h'cet Iovi non licet bovi.

I) Naar gelang zij de rechtspersoonlijkheid weder verschillend construeeren, geven de aanhangers van de institutentheorie uiteenloopende definities van geestelijke of kerkelijke goederen. Zoo definieert Meurer (L c. I. p. 245): „Kirchengut ist der Vermogenscomplex, dessen Kechtstriiger die Kirche resp. ein Kirchlicher Corporations oder Anstaltswille ist".