is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Juist omdat het hier een tijdperk van verandering betreft, zal 't het geschreven recht zijn, dat de bron vormt, waaruit het rechtskarakter der verandering te putten valt; het gewoonterecht is vaster, is meer stabiel, ontleent zijn gezag vooral aan het eerwaardige der historie; het recht, dat door den Souverein wordt vastgesteld, is bewegelijker, is, daar het in een wilsverklaring wortelt, er eerder bij, als nieuwe verhoudingen nieuwe regelen behoeven of oude voorschriften en bepalingen den grond van hun bestaan hebben verloren.

Zoodoende hangt het grootendeels af van den Souverein, of de Reformatie rechtens inderdaad als reformatie, of zij als verbetering dan wel als verslimmering is te beschouwen; niet van zijne voorstellingen echter, maar van zijne daden.

Zoo blijkt het aanleggen van een territorialen maatstaf beslist noodzakelijk, om van de Reformatie het rechtskarakter vast te stellen.

Hierin schuilt nu echter tevens een moeielijkheid, daar de Reformatie ten onzent met een staatkundige revolutie samen viel, of, wil men, er de aanleiding, althans de krachtigste factor in dezen, toe was. Zoodoende zou men kunnen twijfelen, welk recht de Reformatie beheerschte: het recht, zooals het uitging van Philips, of het recht, zooals het door de autoriteiten, die den strijd voerden en leidden, zij het dan ook in het eerst niet tegen Philips, maar tegen Alva en de vreemde troepen — hetgeen in casu echter geen verschil maakt —, werd vastgesteld. Voor den een xvas de Reformatie rechtens geheel iets anders dan voor den ander.

Na de afzwering van Philips in 1581 is deze moeielijkheid natuurlijk opgeheven; het recht, dat door hem eventueel nog werd vastgesteld, was in het geheel geen recht. Maar vóór 1581 is de zaak niet zoo eenvoudig. Toch meen ik ook vóór dit jaar aan de maatregelen genomen door de Staten en de stedelijke autoriteiten den voorrang te moeten toekennen.

biecht, vrijheid van onderzoek en gedachtenuiting, verwerping van het gezag der apocryfe boeken in geloofsaangelegenheden, enz." Ja, op dergelijke manier laat zich heel wat bewijzen. Ook Mr. O. onderscheidt niet tusschen de theorie der ■Staten en hunne daden.