Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naast dc reformatie van het St. Jacobskerspel stond een andere, van deze geheel in karakter verschillende. Het duidelijkst springt het onderscheid in het oog, wanneer ik de tegenstelling geef in de woorden van den tijdgenoot Bor; hij noemt de reformatie van Duyfhuys en zijne parochianen een „openbaere", terwijl hij van de andere zegt, dat „die van de Gereformeerde Religie t'Uitrecht noch geene openbare Kerken noch excercitie" hadden, „maar predikten hier en daer in particuliere huysen door Predikanten die hen van buyten geleent werden" en in een schuur boven in de stad in de buurt van de Klaaskerk. M. a. w. van overheidswege werd de eene erkend de andere niet, van overheidswege werd het goed recht van Duyfhuys c. s., dat is hun recht, om blijvende wie zij waren, n.1. pastoor en parochianen van St. Jacob, in leer en eeredienst zekere reformaties aan te brengen, en mitsdien hun recht om de goederen, die zij van ouds gebruikten, te blijven gebruiken, erkend; terwijl de andere Gereformeerde kerk als een nieuwigheid door den Raad w. i. w. geduld werd, maar toch met leede oogen werd aangezien, tegen wier toenemenden invloed hij in de Jacobsparochie een tegenwicht meende te hebben x).

De niet officieel erkende Gereformeerde kerk liet zich echter niet goedschiks in een hoek zetten. Up den i6<*en Aug. 1578 luidt het in de Vroedschapsrcsolutien: „Up huyden zijn voirden Rade gecomparcert een deel burgeren deser Stadt geassisteert mit Petro Datheno ende hebben deur monde van de selve

Cf. in denzelfden zin Jhr. Mr. W. H. de S. Lohman, 1. c. pp. 120 sqq.; en Mr. W. B. S. Boeles, schoon minder duidelijk, De geestelijke goederen in de Provincie Groningen van de vroegste tijden tot op heden, Gron. 1860, pp. 21 sqq. 51, 52, 57» S®) S9; De bijzondere finantieele regtsbetrekking tusschen een aantal kerkelijke gemeenten in de Provincie Groningen en den Staat, Gron. 1886, pp. 3, 71.

Ook door den Hoogen Raad werd deze opvatting gehuldigd, in zijn arrest van 29 Febr. 1856 (Rechtsgel. Bijbl., '56, VI. pp. 228 sqq.).

1) Cf. Bor. 1. c. XXI. p. 830:... „dat dit een middel soude wesen om den toeloop en vermeerderinge van de gereformeerde religie te verhinderen, so men hem liet in de voorschreven kerke van St. Jacobs predicken, dewijle hij een vreedsaem man was, en ook te vreden was in de selve kerke te prediken, sonder dat men de beelden in de selve kerke soude breken of wechnemen, tot der tijd toe het de Overheyt selve gelieven soude die met ordre af te doen nemen en de kerke te suyveren, dat hij ook noch te vreden was so lange met het wit Choor-kleet te prediken".

Sluiten