Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 12. Om „in enige oirden ende conventen" te gaan, was geen „belofte van enige rcynicheyt" vereischt; alleen was noodig „onderdanicheyt hunluyder oversten, soe tselve anders repugneert die Christelicke vryheyt, ende ordonnantiën van Godt almachtich".

Art. 13. De in het vorige artikel bedoelden hadden het recht om het klooster, als het hun goeddacht, te verlaten, zonder evenwel eenige aanspraak op alimentatie te behouden, behoudens hun recht op hun eigen goed.

Art. 14. De kinderen van gewezen religieuzen, alreeds gehuwd of nog te huwen, waren of zouden wettig zijn.

Art. 15. Wanneer men den dienst der religie bijwoonde, die men zelf niet beleed, mocht men geen schandaal maken.

Art. 16. Niemand mocht conventikelen houden of geschriften opstellen of verspreiden, door welke het land „gealtereert off geperturbeert" zou worden.

Art. 17. „Allen predicanten, ministers, lecteurs, consistorianten, soe well van deen als dander religie" was het verboden in het openbaar te spreken zóó dat dit oproer kon verwekken; in het publiek te spreken was alleen geoorloofd, zoo het tot stichting en leering strekkende was, terwijl het verboden was, om bij de bestraffing persoonlijk te worden.

Art. 18. „Om hier inne te bat versien te worden", zouden geene „predicanten ofte ministers vande voorss. gereformeerde religie" toegelaten worden „te predicken ofte enige exercitie vande religie te doen", zonder aan Schout, Burgemeesters en Raad „gepresenteert" en door hen „toegelaeten" te zijn en den Magistraat „getrouwicheyt ende onderdanicheyt'' „in alle politijcque saecken" en naleving dezer ordonnantie gedurende hun verblijf in de Stad gezworen te hebben, „sonder dat zij hem nochtans enige politijcque saecken sullen moegen onderwijnden, noch met enige acte van jurisdictie ofte metten Magistraet moyen directelick off indierectelick in wat manieren dat het zij"; gedroegen zij zich anders, dan zouden „die van de voorss. Magistraet" de predikanten mogen „affstellen ende licentieren, sonder yemants wederseggen", „mits dat die vande Magistraet de voorss. ministers ende predicanten van behoerlick onderhout versien sullen".

Art. 19. „Die vande Magistraet" zouden „de fabrijcke vanden kercken" onderhouden, „ende oeck dselve kercken versien van ander notelicke officieren tot onderhout ende exercitie vande voorss. religie van node".

Art. 20. Om collecten te houden en het gecollecteerde te distri'oueeren, was, tenzij het voor of aan de armen geschiedde, consent van den Magistraat vereischt.

Sluiten