Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 21. Niemand, „van wat religie" hij was, geestelijke of wereldlijke, mocht zich „onder tdexell vandien" onttrekken aan de „exchysen ende imposten ende andere gemeen lasten vander Stadt", of aan het deelnemen in de defensie tegen den vijand, zoowel dien van binnen als dien van buiten.

Art. 22. „Die vande geestelicheyt" moesten observeeren „die kueren, statuten ende ordonnantiën vande Magistraet beroerende de poleciën, wachten, conservatiën ende beschermenissen deser Stadt", op straffe van boete, door het stedelijke Gerecht te executeeren.

Art. 23. Dit Gerecht was ook te hunnen opzichte competent in zake van „alle schulden, als van coepmanschap ter slecte gelevert, huere van dienres, betaelinge van geborchde waeren, wijnen, bieren, gelaegen ende diergelijcke civile ofte borgerlicke actiën.

Art. 24. De burgers mochten elkaar in eersten aanleg alleen voor dat Gerecht dagen.

Art. 25. De Gereformeerden moesten onderhouden „alle heylige vierdaegen ofte feestdaegen, die binnen Utrecht naervolgende d'ordonnantie vande Roemsche kercke gehouden worden''; alleen met gesloten deuren mochten zij werken op die dagen, om niet „yemant te schandaliseeren".

Art. 26. Aangaande „het vercoepen ende eten van vleys opte verboeden daegen" moesten zij zich „politijckelick" gedragen naar Stadsordonnantiën en niemand in het openbaar gelegenheid tot ergernis geven.

Art. 27. Geen onderscheid mocht gemaakt worden, „int geven ofte bedienen van enige geestelicke olte weerlicke beneficiën, staeten, conditiën ofte ofiiciën ter oirsaecke vande religie, mer sullen alle dselve beneficiën, staeten ofte ofiiciën soe well die van deen als dander religie zijn moegen, bedient worden sonder dat yemant ter cause vande religie van zijn voorss. beneficiën, staet ofte offitie sall moegen gedeposseert worden".

Art. 28. Niemand mocht ter zake „van deen off dander religie" „gereprocheert" worden in het „opineren" in den Raad of in de Staten of in het geven van getuigenis.

Art. 29. Ook mocht er geen onderscheid worden gemaakt „int geven ofte vuytdeylen van enige armenprovens, potten ofte ander aelmissen, noch om yemant int gasthuys ende hospitael tontfangen."

Art. 30. Niemand mocht ter predikatie van een andere religie dan die hij zelf beleed gaan „mit enich ander geweer" dan hij gewoonlijk droeg.

Art. 31. De Magistraat nam in zijn „sauvegaerde, protexie ende

Sluiten