is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan dc gelofte van kuischhcid alle rechtskracht ontzegd op den bepaaldelijk geformuleerden grond, dat zij strijdig was met „die criestelicke vryheyt ende ordonnantiën van Godt almachtich" (art. 12 v. d. religievrede).

Het kloosterleven zelf werd niet als onchristelijk beschouwd; men was echter ten allen tijde vrij het klooster te verlaten. In art. 15 der Unie van Utrecht werd hetzelfde met andere woorden gezegd: men verloor zijn recht als kloosterling, om uit dc kloostergoederen te worden onderhouden, niet, doordat men zijn religie reformeerde en dus o. a. ook de gelofte van kuischhcid als onchristelijken dwang verwierp.

Op de meeste punten besliste dc Raad echter niet ten voordeele van één der beide opvattingen der Christelijke leer; hij zorgde er veelal slechts voor, dat ieder naar zijn opvatting leven kon, en dat de een den ander geen ergernis gaf. Zoo regelde hij het huwelijksrecht anders voor de aanhangers der oude dan voor die der nieuwe religie (artt. 1 en 2 v. d. religievrede). Zoo bleven de oude Christelijke feestdagen als rechtens verplichte rustdagen erkend, tenzij door contraire handelingen geen aanstoot kon worden gegeven, zooals door binnenshuis verrichten arbeid (art. 25). M. a. w., de Raad gaf noch den een noch den ander gelijk: of die dagen naar Christel ij ken maatstaf recht van bestaan als rustdagen hadden of niet, liet hij onbeslist: hij erkende ze slechts als bindende niet op den objectieven grond hunner eigen beteekenis, maar op den subjectieven, dat anderen door de negligentie ervan werden geërgerd. Bij het begeven van ambten, niet enkel van wereldlijke maar ook van kerkelijke, mocht niet worden in aanmerking genomen of men in zijn religie al of niet gereformeerd was

gezegd:... „Het niet al te nauw verbinden aan menschelycke schriften, ende het houden van den middelweg tusschen een Servituyt, die de Waarheyd mocht verpletten, ende de licentie, die den Vrede mocht verstoren, is gebouwt op den rechten grond onser Christelyker Reformatie, die Gods Woord voor den eenigen Regel houdt".

En zoo ziet v. d. Water (I. p. 349) de strekking der Belijdenis hierin, dat men wilde aantoonen, dat de gereformeerde leer „geene nieuwe leere was, en niet anders behelsde, als hetgeen Moses, de Propheten, en Apostelen, in haare schriften hadden nagelaten".