Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooftstucken van de Christelijke religie", en over de „discipline of ordre van der kerk" of „kerken-ordeninge". De Raad constateerde volgens die acte, dat er wat de leer aanging niets op de St. Jacobskerk te zeggen viel; wel betwistten later de Consistoriale predikanten, dat zij dit zoo volmondig hadden f erkend, doch dit doet voor ons niet ter zake; over kerkorde en discipline wilde de Raad niets hooren, want, zeide hij, dit zijn „middelbare dingen", „daer in een yeder mocht volgen i den voet die stichtelijkst was" J). De praedestinatie werd niet als „hooftstuck" beschouwd.

Hieruit blijkt onbetwistbaar, dat de St. Jacobskerk was, gelijk zij altijd had willen zijn, een Christelijke kerk; dat zij op dien grond door de Overheid werd erkend en in het genot der goederen werd gelaten; dat onderscheid werd gemaakt tusschen Christelijke hoofd- en bijzaken; dat de Overheid zelve besliste, wat al of niet Christelijk was, als hierover geschil rees tusschen eenige kerken; en dat in casu de Overheid de kerkinrichting als bijzaak beschouwde.

De Consistoriale predikanten wendden zich daarop tot den Prins van Oranje; het antwoord van den Magistraat (d.d. 8 Aug. 1582) op een missive van den Prins is ook kenschetsend

broederskerk tegen de Jacobskerk, dat deze n.1. niet geordend was of geregeerd werd naar de eischen der H. Schrift.

In het citaat op p. 214 spreekt Bor van „kerkelijke ordre"; ook hier doelt het op de Jacobskerk.

En dezelfde zaak wordt in het op p. 235 aangehaalde Delftsche schrijven „regeringe der kerke" of der „gemeente Christi" genoemd.

Als verschillende kerken samen een zelfde kerkorde hebben kan men deze noemen een kerkr«orde.

Aan het oud-Hollandsche „kercken-ordeninge" kan men niet zien, of het enkeldan wel het meervoud bedoeld is. Rechtens is deze woordenquaestie echter van geen beteekenis.

I) M. a. w., de Raad oordeelde het beroep op Paulus' woord: „Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden" (I Cor. XIV. 40) niet afdoende, om er mee te bewijzen, dat een kerkorde naar Christelijken eisch steeds en overal moest bestaan in een kerkeraad, zooals de Consistorialen dat verstonden, en dat in de kerkelijke zaken een kerk zich met andere kerken moest beraden in classicale vergaderingen, noch om er de kerkelijke tucht mee te argumenteeren.

De Raad vond, dat een Christelijke kerk zeer wel een Christelijke kerk kon zijn zonder dit alles.

Sluiten