Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wegen", dat de publicatie van dat verbod „op de naem vande Staten van Utrecht" zou plaats hebben; het zou dan gelden voor de gansche Provincie. De Raad stemde er in toe, „des indien dvoirss. Staten sulcx als morgen nyet en beginnen te doen, dat men dan sulcx van Stadts wegen inde Stadt ende vryheyt vandien doen sall": 16 Juni *) 2).

De Staten schijnen aan deze voorwaarde niet te hebben voldaan; althans, op den i8den Juni daaraanvolgende besloot de Raad: „datmen by clockluydinge verbieden sal dexercitie vande Roomsche religie allen priesters ende geoirde personen binnen dese Stadt ende Stadtvryheyt opt verbueren van hore benefitiën ende officitien, indien zy enich hebben, andersins thien gulden ende arbitrale correctie" *).

Zoodoende was thans in de Stad van overheidswege de Roomsche religie als onchristelijk gebrandmerkt. Uit dezen hoofde werd haar uitoefening verboden; want als Christelijke Overheid kon de Raad niet toestaan, dat ketterij werd bedreven 3). Zoo was het altijd geweest; vroeger was het de

1) Vroedsch. resol.

2) Dien zelfden dag, 16 Juni, committeerde de Raad twee uit zijn midden, „om de voirss. interdictie ende inthimatie te doen aende conventen".

Zoodoende werden de kloosters gereformeerd, althans in naam; den I4den Juli 1624 bleek het nog noodig, dat de Raad de volgende publicatie vaststelde:

„Alsoo men hoe langer hoe meer in ervaringe komt, dat veele geordende en genoemde geestelijke persoonen hun stoutelijk onderstaan, op verscheyden plaatsen, ende merckelijken mede in Conventen, Kloosters en Gasthuysen, soo binnen als buyten deese Stad, haare afgodische missen en andere Roomsche superstitiën te exerceeren, daardoor zij vele simpele ende kleyn-verstandige persoonen soecken van de waarheyt af te leyden, ende die tot het Pausdom te trecken, gelijk sy daar op hun beroem vermetelijk dragen, tot verachtinge van Godes Heylige Woort, ende schandaale van de oprechte ende waare Christelijke Gereformeerde religie, dat langer niet en kan worden toegestaen. Soo is 't, dat myn Heeren Burgermeesteren en Vroedschappe deeser Stad nogmaal doen waarschouwen en ordonneeren by desen allen mis-papen, geordende en gewijde persoonen, ook soogenoemde geestelijken, dat zy hun wachten van nu voortaan te gaan ende te converseeren in eenig Convent, Klooster of Gasthuys, binnen nog buyten in de Vryhcyt deeser Stad, onder wat praetext het soude mogen zijn, op verbeurte van heure beneficiën, ofïiciën of alimentatiën, die zy mogen hebben; ende die geene en hebben, op arbitrale correctie, ter discretie van mijn Heeren van den Gerechte deeser Stad".

3) Cf. bv. de zoo juist meegedeelde publicatie, en de artt. 6 en 7 van de Utr.

Sluiten