Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kettersche parochianen, kanunniken, conventualen ctc. geweest, die öf zelve hun positie opgaven óf er uit gezet werden en met de op ketterij staande straffen werden getuchtigd.

Maar zoo stond de zaak niet; de Overheid erkende het Canonieke recht en de hiërarchische autoriteiten niet meer, oorspronkelijk althans niet meer wanneer er parochiën etc. waren, die er de gehoorzaamheid aan opzegden, en later in het geheel niet meer. Zonder dit partijkiezen ten gunste der Reformatie, zonder deze verandering in het objectieve recht, waren hare gevolgen natuurlijk geheel anders geweest ; naar het Canonieke recht had de geestelijke Overheid het recht, de onder haar jurisdictie staande kerken, kloosters en beneficiën op te heffen etc. en de bestemming der geestelijke goederen te regelen, hetgeen zij in geval eener reformatie dus zou hebben gedaan; naar R. K. kerkrecht ware afscheiding, opzegging van de gehoorzaamheid aan de hiërarchie, reformatie niet mogelijk; de Kerk toch is geen product van de aaneensluiting harer deelen, integendeel, het bestaan van deze hangt af van het goedvinden der hiërarchie , aan wier gezag kerken, kloosters etc. q. q. onderworpen zijn, aan hetwelk zij zich niet kunnen onttrekken 1). Naar R. K. kerkrecht, voor zoover het wereldlijke gezag dit erkent -), zal een parochie, een kapittel, een klooster etc. zich niet kunnen afscheiden of reformeeren, maar zal het lichaam zelf in statu quo blijven en zal het betreffende besluit alleen voor de individuen, die het namen, van beteekenis zijn 3).

1) Hierin vormt het R. K. kerkrecht een lijnrechte tegenstelling met het Gereformeerde, dat opkomt uit de aaneensluiting der plaatselijke kerken en geen hiërarchie kent.

2) Een voorbeeld van niet-erkennen levert ons de Reformatie der 16de eeuw.

En zoo bepaalde het Pruisische A. L. R. (II. n. j 171) in het algemeen: „Auch

durch Veranderung ihrer Religionsgrundsïtze verliert eine Kirchengesellschaft nicht das Eigenthum der ihr gewidmeten Kirchengebaude". Cf. ook p. 172.

3) Het is voor deze quaestie van geen belang of het lichaam van de goederen het eigendomsrecht had of enkel het genot al dan niet gepaard met bezit; in het laatste geval is het de vraag, of het zich reformeerende lichaam daardoor tevens de bestemming der goederen wijzigt, hetgeen reeds besloten ligt in de reformatie zelve; in beide gevallen is de kern der vraag, of reformatie mogelijk is, en van het antwoord hierop hangt het lot der goederen af.

Sluiten