Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze ordonnantie heb ik evenwel nergens kunnen ontdekken. Voor het platte land is het verbod van de uitoefening van den Roomschen dienst door de Staten den 28sten Juni 1580 vastgesteld.

§ 3. Het Kerkverband.

Bij de behandeling van de reformatie der St. Jacobsparochie hebben wij reeds gezien, dat de Overheid, wanneer een kerk zich aan het gezag der geestelijke Overheid wilde onttrekken, dit toeliet en dat zij ten slotte zelfs het kerkverband in het algemeen als strijdig met de H. Schrift niet bindend verklaarde. Ken gereformeerde parochie kwam zoodoende geheel op zich zelve te staan; zij zelve bleef, gereformeerd, wie zij was, doch de hiërarchische toestel, die de parochiën overwelfde, verviel. Behalve deze gereformeerde bestonden er toen officieel de Reformatie werd ingevoerd nog Gereformeerde kerken, nieuwgevormde lichamen, die met de Reformatie van overheidswege werden erkend. De Gereformeerden achtten het een eisch der H. Schrift, dat de waarlijk Gereformeerde kerken zich niet geïsoleerd hielden maar zich met elkaar in leer en ceremoniën en organisatie conformeerden; de kerk, die zich afgezonderd hield, werd niet voor een waarlijk Christelijke aangezien. De kerken zonden daarom afgevaardigden in synode bijeen, die regelen vaststelden, volgens welke de Christelijke kerken geregeerd moesten worden zoo uit- als inwendig, en de waarheden, die zij gelooven moesten, op straffe van niet zuiver Christelijk te zijn. Zij deden dit reeds vóór de gereformeerde religie door de Overheid als de Christelijke religie werd erkend, dus in den tijd toen hun geheele drijven voor kettersch gold; de regelen, die zij toen opstelden, hadden rechtens uit den aard

II. Interdiceeren ende verbieden voorts generalyk, ende specialyk alle Geestelyke persoonen, geordent of ongeordent, mans of vrouwen, sig langs der straaten te begeven in kleederen ofte habieten, die men noemt Geestelyke ofte geprofessyde kleederen, op het verbeuren van die selve kleederen.

III. Ordonneerende voorts alle Paters ende Maters van de Conventen, haare Conventualen, die zulks begeeren zullen, te laten gebruyken ende genieten de vryheyt, hen by de naadere Unie ende Religionsvreede geaccordeert ende toegelaten, op verbeuren van arbitrale correctie". Utr. Placaatb. III. p. 466 no. I.

Sluiten