Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der zaak geen bindende kracht. Anders werd het, toen de Overheid hen naast de R. Katholieken erkende en later zelfs te hunnen faveure koos en het oude kerkverband als kettersch ophief. Van dit oogenblik af ontstond de strijdvraag: wie heeft de kerkelijke inrichting te regelen, de Overheid of de kerken zelve? Deze vraag schijnt mij met het oog op de onzekerheid van wat als positief recht gold onder de Republiek niet met volkomen stelligheid beantwoord te kunnen worden. Dit staat echter vast, dat de regeling der kerkelijke verhoudingen niet buiten de Overheid om kon geschieden, dat ze zonder haar goedkeuring rechtens alle kracht miste; dit was trouwens rationeel; een officieele religie kan niet op dezelfde vrijheid aanspraak maken als een bloot gedulde.

Van wie de regeling der kerkinrichting in Utrecht uitging, kan niet met één antwoord worden afgedaan. Nu eens was het de Stedelijke dan weer de Provinciale Regeering, die geheel uit eigen hoofde kerkelijke zaken regelde; dan weer was het een Synode, wier besluiten dan door de Staten werden bekrachtigd en zoodoende bindend gemaakt. Het dichtst is men m. i. bij de waarheid, als men de quaestie buiten het „recht" houdt en elke regeling in het bijzonder, van wie ze dan ook uitging, als „recht aanmerkt; het „recht" beantwoordde de vraag, wie tot regelen bevoegd was, niet, zoodat elk antwoord, zoodra het in concreto gegeven was naar het recht van den sterkste, „recht" was !).

Dat de kerken, die het goed vonden met elkander in synode bijeen te komen, ook voor de niet gecompareerde rechtsgeldige

1) Voor den strijd tusschen de Staten en de Steden van Utrecht met de Kerk over de regeling der kerkelijke verhoudingen van 1590 tot 1612 cn de desbetreffende literatuur cf. C. Hooijer, Oude kerkordeningen etc. (Zalt-Bommel 1865)

pp- 375 sqq-

Het punt in geschil was niet, of de kerken zelve een bindende kerkorde konden opstellen in confesso was, dat de goedkeuring der Overheid noodig was om haar aan allen op te leggen —, maar of de Overheid zonder de kerken er in te kennen de kerkelijke verhoudingen naar welgevallen kon regelen, terwijl in den grond der zaak de strijd meer ging om den inhoud der regeling dan om de formeele quaestie, wie tot regelen bevoegd was; de strijd over den inhoud bracht van zelf de formeele quaestie op het tapijt.

Sluiten