Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

normen konden vaststellen, zooals Dr. Kleyn ons schijnt te willen doen gelooven, is absurd x). Er moet een rechtsregel zijn, die dit toelaat; en deze zal wel niet gemakkelijk zijn te ontdekken! Het Utrechtsche recht althans wist van dergelijken regel niets. Toch schuilt er in Dr. Kleyns stelsel, hoe verward en in zijne consequenties onjuist het ook moge zijn, een kern van waarheid. De quaestie is niet, gelijk Dr. K. ze stelt, of de Gereformeerde kerken als geheel, als corpus Christi gedacht door hare gemeene organen voor het geheel absoluut bindende besluiten kunnen nemen, maar of wat Christelijk is in een Christelijken staat bindend is. Wat Christelijk was bepaalde rechtens de Overheid, en daarom verklaarde zij de eene leer tot de officieele, de ware, en liet zij de andere hoogstens toe. En als de meerderheid der kerken -) bepaalde regelen omtrent leer en kerkinrichting stelde, dan bonden deze niet alle kerken, omdat deze samen één geheel vormden waarbinnen de meerderheid besliste, maar omdat de Overheid deze decreten als Christelijke erkende, ze daarom sanctioneerde en hun naleving van alle vorderde. Wie zich buiten de regelen door de Overheid als de Christelijke erkend plaatste, verloor het karakter van Christelijke kerk. Aan de Overheid stond het te bepalen, of een zich isoleerende kerk daardoor ophield een Christelijke kerk te zijn, en zoodoende hare aanspraken verloor op de stoffelijke voordeden, als het gebruik van kerkgebouwen en het genot van tractementen, aan het zijn van officieele Christelijke kerk verbonden 3).

1) Cf. Dr. Kleyn, Algemeene Kerk etc. pp. 12 sqq.

2) Hiermee is niet gezegd, dat de Overheid verplicht was de opvatting der meerderheid te volgen; geenszins, zij was bevoegd en verplicht uit eigen oogen te zien, maar dat zij niet licht tegen de meerderheid inging, ligt voor de hand, niet uit rechts- maar uit politieke overwegingen.

3) Een andere quaestie is het, of een kerk zich verplicht achtte om de correspondentie (het verband) met andere kerken af te breken; naar Gereformeerde opvatting was zij hiertoe verplicht, als die andere niet goed Gereformeerd waren. Of zij het rechtens doen kon, hing af van het door de Overheid ingenomen standpunt, of deze haar al of niet gelijk gaf. Sedert I79^« sedert de neutraliteit der Overheid, is verbreking van het kerkverband rechtens natuurlijk geoorloofd; elke kerk heeft zelve uit te maken of zij meent verplicht te zijn de correspondentie met andere kerken aan te gaan of af te breken; het recht laat er zich niet meer mee in.

Sluiten