Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit was althans haar strekking, en de bedoeling der samenstellers ; maar bindend in werkelijkheid was ze geenszins; waaraan zouden de Heeren het recht hebben ontleend algemeen bindende regelen uit te vaardigen? De Gereformeerden mochten er in hun conscientie aan gebonden zijn, rechtens was ze niets dan een ontwerp, dat eerst door de bekrachtiging der Overheid bindend kon worden. De kerken, die de regelen er in gesteld wilden naleven, konden dit doen, voorzoover de Provinciale of Stedelijke Overheden geene andere bepalingen gaven, en die het niet wilden, die lieten het.

In Utrecht was er ten platten lande geen sprake van naleving der Middelburgsche regelen, en in de Stad dacht de Jacobskerk er niet aan ze op te volgen, terwijl de Consistoriale kerk ze uit vrijen wil, voorzoover de Raad niet anders bepaalde, zal hebben in acht genomen.

Van een bekrachtiging door de Utrechtsche Staten of door de Utrechtsche Vroedschap is mij geen spoor gebleken; de Staten en de Raad waren trouwens Duyfhuysiaansch, zoodat van hen geen hulp te wachten was voor de uitvoering van dit Calvinistische stuk.

De voorschriften dezer kerkorde lieten de Utrechtsche Overheden dan ook voor wat zij waren; zij dachten er b.v. niet aan de bepalingen omtrent de aanstelling van predikanten te doen realiseeren; de Gedep. Staten en de collators benoemden hen ten platten lande, en de Utrechtsche Raad volgde de regelen door hem zeiven gesteld in den religievrede. De „wettelijke beroepinge" der Kerkorde —, die volgens art. 4 bestond in: i°. „verkiesinge, dewelke geschieden sal door den Kerkenraed ende Diaconen, mitsgaders het oordeel der Classis, of van twe of drie der naest gesetenen dienaren, met bidden en vasten", 2°. onderzoek van leer en leven door dezelfden, 30. „approbatie en goedkenninge" van de Overheid, „doende professie van de Gereformeerde Religie", en 4°. van „de gansche Gemeente", die gedurende 14 dagen bezwaren mocht inbrengen, — is ten gevolge van dit artikel nooit inderdaad een „wettelijke" wijze van beroepen geweest; de regelen der beroeping kwamen uit andere bron. Meer dan een Gereformeerd desideratum konden ze in zich zelve ook niet zijn; de Synode

Sluiten