Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienden naar aanleiding hiervan een remonstrantie in bij de Hollandsche Staten, verzoekende hun leer te mogen verdedigen tegen de aanvallen van Coornhert; zij vroegen, dat er recht gedaan mocht worden; als hun „Religie vals en vervoerig te sijn" bevonden werd, welnu dan was het naar recht, niet alleen dat er naast de hunne ook andere religiën werden geduld, maar zelfs dat de hunne „(gelijk recht is)" werd verboden; zij waren echter niet bevreesd, dat hun ongelijk blijken zou, dat niet duidelijk zou worden „dat niet de Gereformeerde kerke, maer dese diese aenvechtet, van de Apostolise leere afgeweken is, of veel meer in de selve noit recht gestaen heeft", en „de oude ketteryen Pelagii en Celestii" weder wilde invoeren. De Staten van Holland benoemden een commissie voor wie bepleit zou worden, welke leer kettersch was, die van den Catechismus of die van Coornhert; voor den Catechismus trad op Prof. Saravia, Coornhert verdedigde zijn eigen zaak. Den 27sten Oct. 1583 ving het geding aan; de status quaestionis werd aldus gesteld:

„Of een herboren mensche de geboden Gods van der liefde, in desen leven volkomelijk mag onderhouden, dan niet"? De Catechismus antwoordde: neen, Coornhert: ja. De strijd leidde tot geen definitieve uitspraak. Er blijkt echter uit, dat van Gereformeerde zijde van religievrijheid niets werd geweten, dat geeischt werd, dat de Overheid de ware leer zou handhaven en de ketterij tegengaan (hierop steunde dan ook het verbod van de Roomsche religie), doch dat het recht der Overheid werd erkend, om zelve te beoordeelen wat Christelijk was ').

De kerkelijke verhoudingen bleven in Utrecht geregeld door bepalingen van andere autoriteiten dan de Middelburgsche Synode, d. i. van de in Synode eigener autoriteit samengeko-

I) Bor. 1. c. XVIII. pp. 404 sqq.

Dit zelf-beslissen en partij-kiezen door de Overheid, de cardo quaestionis voor de kennis van de Reformatie en de rechtspositie der kerkelijke en geestelijke goederen, wordt door Dr. Kleyn ten eenenmale miskend. Het ligt in het stelsel eener publieke religie opgesloten, tenzij men den Staat tot den sterken arm van de Kerk wil maken, hetgeen de Gereformeerden nooit hebben gewild. Vreemde beschouwingen op dit stuk leest men bij Dr. Kleyn 1. c. p. 259*

Sluiten