is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds zeide, voor alle personen en alle goederen, die feitelijk in de door haar geregelde verhoudingen stonden; de Vorsten en Heeren, die er hof- en huiskapelaans op na hielden, de gasthuizen, wier religieuze behoeften door eigen kapelaans of vicarissen werden vervuld, hun allen werd de kerkorde opgedrongen door de kerken, die het goed vonden in synode bijeen te komen i). Van hen werd niet alleen geëischt, dat zij geene Roomsche geestelijken meer aanstelden, maar zelfs, dat zij niemand benoemden dan die een zgn. „wettelijke beroepinge" had. Wat ter wereld, zou men willen vragen, bezielde de menschen, om anderen in hunne rechten zoo schromelijk te verkorten ? Niets dan aanmatigende opdringerigheid, zou men moeten antwoorden, als dit opdringen der kerkorde in de 19de eeuw had plaats gehad. Maar het geschiedde in de 16de eeuw, en dat maakt een groot verschil; tusschen beide ligt het jaar 1796. ^ Wat de Gereformeerden in de 16de eeuw eischten, was hun recht en hun plicht: de Overheid had — het was 'communis opinio — de Christelijke leer te handhaven, d. w. z. de ware Gereformeerde; de regelen der kerkorde moesten door

allen worden geëerbiedigd, omdat zij in waarheid Christelijk waren.

De Gereformeerden deden niets dan de Overheid haar plicht voorhouden. Art. 6 der kerkorde van 1586 bepaalde: „Sal ook genen Dienaer dienste mogen aennemen in eenige besondere Heerlijkheden, Gasthuysen of andersins, ten zy dat hy voor henen geadmitteert en toegelaten zy, volgende de voorgaende articulen: en sal ook niet min als andere, de Kerkordeninge onderworpen zijn".

Ook de Middelburgsche nationale Synode van 1581 had de hof- en huiskapelaans en die den dienst verrichtten in gast- en weeshuizen aan de „kerkelijke ordonnantiën" onderworpen, (7de particuliere vraag); terwijl ook reeds in 1574 (art. 19 der Dordtsche kerkorde van dat jaar) en in 1578 (art. 9 der

I) Cf. H. J. Royaards, De gasthuispredikanten in de Nederlandsche Hervormde Kerk, in het Nieuw archief voor Kerkelijke geschiedenis inzonderheid van Nederland dl. II. pp. 309 sqq.