Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen goed Christen was en dat een kerk, die ze niet opvolgde, geen ware Christelijke kerk was — een verklaring, die voor wie ze gold, wel niet warm zou hebben gemaakt —; maar rechtsgevolg kon zij er niet aan verbinden. Het was de Overheid, die de kerken in het synodale verband dwong, op straffe van een verboden vereeniging te worden met al de gevolgen daarvan i).

I) Met zoovele woorden werd dit uitgesproken in het request aan de StatenGeneraal ingediend door „de Nationale Synodus der Gereformeerde Kerken in de Vereenigde Nederlanden" van 1618/19, waarvan het iste punt aldus luidde: „Doch nademaal deeze Ordonnantiën des Synodi, zonder goedvinden, approbatie en toestemminge van Uw Hoog Mog. onze hooge Overheid, in de Kerken dezer Provinciën, niet konnen, gelyk ze niet behooren, ter executie gesteld en onderhouden te worden, verzoekt en bid deze Synodus met alle ootmoedigheid, dat het Uw Hoog Mog. goede geliefte zy, de Handelingen dezes Synodi, na dat ze dezelve doorgeleezen en geëxamineert zullen hebben, met haare Christelyke approbatie ende toestemminge te versterken, en door haare authoriteit te gebieden, dat dezelve tot vreede en stichtinge van de Kerken dezer Landen over al onderhouden werden". Cf. ook punt 3.

Korte Historie van de Synode Nationaal, gehouden binnen Dortrecht, in de Jaaren 1618 en 1619. Uit Echte Gedenkstukken, en geloofwaardige Schryveren opgemaakt: door den Procureur van de Vaderlandsche Kerke. Arnhem 1776; pp. 296 sqq.

Hiermee is natuurlijk niet gezegd, dat de nationale Synode geen ^^«bijeenkomst was maar een soort van staatkundige vergadering, zooals Dr. J. M. J. Hoog

meent op p. 22 van zijn geschriftje: „Iets over de Synode van Dordrecht 1618

1619", uitgegeven door de Vereeniging tot verspreiding van stichtelijke blaadjes, Amsterdam 1888. Dit „blaadje" wemelt van scheeve voorstellingen. Op twee punten slechts wil ik wijzen; op p. 23 leest men: „De Provinciale Synoden werden eerst gehouden ter voorbereiding van de Nationale; overal waren de Calvinisten in de meerderheid, behalve te Utrecht. Daar werd, met goedvinden van de Staten, de klucht vertoond, dat twee Synoden, eene Calvinistische en eene Remonstrantsche, werden gehouden, die beide afgevaardigden naar Dordrecht zonden".

Waarom deze handelwijze een „klucht" was, zegt de schrijver niet. Juist het feit, dat er in Utrecht Remonstrantsche kerken waren maakte haar afzonderlijke synodale bijeenkomst zoo begrijpelijk mogelijk; en er blijkt te meer uit, dat de Dordtsche Synode een kerkenbijeenkomst was. Cf. Hooyer, O. K. p. 427.

En in de tweede plaats vestig ik de aandacht op de onhistorische opvatting van Dr. Hoog van de Reformatie.

Uit hetgeen ik passim heb meegedeeld blijkt luce clarius, dat van Gereformeerde zijde niet gedacht werd aan gelijkheid van godsdienst in het algemeen — de vrijheul van godsdienst werd in beginsel zelfs niet erkend — en aan leervrijheid in de Kerk; conscientievrijheid in den engen zin des woords, meer niet, werd aangenomen.

Sluiten