Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het Gereformeerde bewustzijn duldde geen isolement, geen uittreden uit het verband, en de Overheid stond in dat bewustzijn en daarom was isolement en uittreding onmogelijk.

Zoo het verband de Gereformeerde leer zuiver handhaafde, dan was zeer zeker afscheiding naar Gereformeerde opvatting ongeoorloofd, doch in het tegenovergestelde geval was ze juist plichtmatig. De leer was het, die in casu te beslissen had, en deze werd door de Overheid bepaald.

HOOFDSTUK II.

De gevolgen der Utrechtsche Reformatie in iiet

vermogensrecht in het algemeen. § i. Voorloopige maatregelen.

Den 4(len Mei 1580 was door de Gedep. Staten ter Statenvergadering een ontwerp ingediend, „omme ordre te stellen opde geestelicheyt ende haere goederen". De Staten konden het er evenwel niet over eens worden; de Geestelijkheid (het iste Lid) kon zich niet in den inhoud van het voorstel vinden, daar zij het strijdig oordeelde met de Pacificatie van Gent, de Unie van Utrecht en den Religievrede; de Ridderschap keurde het concept goed; de Stad (van het gevoelen der kleine Steden blijkt niet, doch Utrecht zal hier wel namens het gansche

De R. Katholieke belijdenis werd door de Gereformeerde vervangen, dit was de eenvoudige waarheid. De Dordtsche Synode deed niets anders dan deze belijdenis handhaven en preciseeren, en zij moest dit doen, gegeven zijnde het van de oudste tijden af gegolden hebbende stelsel van een officieele religie, waar eerst door de Revolutie mee is gebroken.

Dr. Hoog verwijt (1. c. p. 15) aan de Synode, dat haar verzet tegen leervrijheid (in de Ned. Herv. Kerk n. b.!) en haar uitdrijven van de Remonstrantsche ketters, niet „Protestantsch" maar „Roomsch" was.

Wat Dr. H. onder „Protestantsch" verstaat is niet hetgeen men vóór de Revolutie er onder verstond maar de Nathans wijsheid van 1796. Roomsch en Gereformeerd worden door de leervrijheid juist gescheiden van het moderne stelsel van 179^-

Sluiten