Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderhouden „tot opvoedinge van dienaers van Godts Woordt, ofte tot andere gelijcke professie, daerduer het Landt ende die gemeente gedient mach wesen"; voorts van het was en de olie, volgens art. 5 1).

Dienzelfden dag werd door de Staten een ordonnantie vastgesteld, waarin met het oog op „dese periculose tijden" bepaald werd, dat, aangezien de Kapittelen het eerste Lid der Staten vormden en zij derhalve in alle staatsgeheimen ingewijd werden, aan bepaalde voorwaarden moest voldaan worden, om een prebende, die het lidmaatschap van een kapittel meebracht, te verkrijgen: deze prebenden mochten alleen geconfereerd worden aan personen, die den Staten aangenaam waren en het land zouden moeten dienen hetzij als rechtsgeleerden hetzij als krijgslieden; zij moesten den leeftijd van twaalf jaar hebben bereikt, terwijl zij, als zij drie en twintig jaar waren geworden, op de gemelde wijze het Land moesten dienen, hetgeen zij, zoo het hun niet in persoon mogelijk was, per alios moesten doen. Tevens werd bepaald, dat de prebenden en de andere beneficiën niet mochten worden verhandeld 2).

Tevens werden regelen vastgesteld omtrent de vijf jufferenconventen, die hun door den Statenbode zouden worden beteekend 3). Hierbij werd o. a. bepaald, dat de Staten deze conventualen alleen als canonissen beschouwden en erkenden, niettegenstaande eenige professie of belofte; dat opneming in jufferenconventen alleen mocht geschieden „by advijs van eenighe vande Ridderschap", „alzoo tzelve die Ridderluyden aengaet"; dat er door de Staten een ordonantie zou gemaakt worden omtrent het aantal der conventualen, omdat haar tegenwoordig aantal te groot was met het oog op de kloostergoederen; dat zij „alle jaer pertinente rekeninge doen zullen vanden incommen

1) Reg. no. 59 dl. I. f. 16.

2) Ook werd opgemaakt een missive ter uitvoering van art. 6 der Orde, en werd de Statenbode uitgezonden ingevolge art. 8; terwijl ter executie van art. IO „de Regierders der Stadt, Steden ende Lande van Utrecht ende officiers respectivelick" werden gemachtigd het houden van concubinen te verbieden: de kanunniken en geestelijken in het algemeen moesten ze óf trouwen óf laten schieten. Reg. 110. 59 dl. I. ff. 17, 18; cf. f. 22.

3) Reg. no. 59 dl. I. ff. iS, 19.

«9

Sluiten