Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rentmeesters aanstelden, en dezen den eed afnemen, „dat zyluyden die goeden wel en getrouwelick zullen regieren ende administreren ten profijcte vande convente ende naer inhoudt d'instructie hemluyden gegeven".

Art. 26. Van allen, die in de conventen waren, „zoo wel geoirt als ongeoirt" moesten zij aanteekening houden, „oock vande gheenen die buyten die conventen zijn ende by tzelve gealimenteert ofte onderhouden worden".

Art. 27. „Item alzoo byde Staeten geordonneert es, dat die mansconventen gheen religieusen meer zullen moegen ontfangen", moesten zij den conventen bevelen hen van elk sterfgeval te verwittigen, en het den Staten mededeelen, „om geordineert te worden wes die vande voorss. convente in plaetze vande costen, die zy van alzulcke affgestorven plaegen te hebben, doen zullen volgende die generaele resolutie ofte instructie van de Staeten".

Art. 28. Zij moesten den Staten advies uitbrengen omtrent het aantal der conventualen, dat de goederen der jullerenconventen en begijnenhuizen konden onderhouden.

Art. 2Q. De gealimenteerden uit de conventen moesten jaarlijks „aenden conventen" attestatie de vita zenden, opdat tevens blijken mocht, of zij wel woonden binnen de Unie of althans in niet vijandige landen.

Art. 30. Zij moesten toezien, dat alleen zij, die volgens de „speciael ordinantie op de voorss. conventen gemaect' bevoegd waren, in de jufferenconventen werden opgenomen.

Art. 31. En dat in de begijnenconventen niemand werd opgenomen

buiten consent der Steden, in welke ze gelegen waren, volgens de regelingen daaromtrent gemaakt of te maken.

Art. 32. In het algemeen zouden zij zorgen, dat alle Statenordonnanties omtrent de kloosters en hunne goederen werden nageleefd , waartoe zij de diensten der Statendeurwaarders mochten gebruiken.

Art. 33. Landcommandeur en balijer moesten zij afeischen „haerluyder eerste fundatiën ofte stabilimenten, om die gesien ordre gestelt te werden, dat die zoo veel het moegelijck es onderhouden werden , en vooral moesten zij er tegen waken, dat lieden opgenomen werden, die er niet toe gequalificeerd en niet in staat waren het Land te dienen met wapenen te paard en den Staten niet aangenaam.

Art. 34. Zij zouden hen staat en rekeningen afvorderen, „doch met zulcke discretie, dat zy verstaen moegen, dat in desenyetgesocht wordt eenighe verminderinge mer alleen conservatie van haere goeden".

Sluiten