Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 35. Ook moesten zij van hen vorderen specificatie der onder hen ressorteerende commanderieën, met opgave der commandeurs en der goederen.

Art. 36. Alleen den Staten aangename personen mochten in de conventen van den landcommandeur en den balijer worden opgenomen. die bekwaam waren „volgende die fundatiën ende d'ordinantiën daerop te maecken"; dit moesten zij hun bevelen en op de naleving toezicht houden.

Art. 37. „Item zullen oock voorsien, dat ten platten lande gheen pastoiren, noch predicanten meer gestelt worden dan die by hemluyden daertoe geadmitteert ende bequaem gekent zullen wesen. Ende den gheenen, die zy bevijnden zullen ter contrarie van dese gestelt te zijn, zullen zyluyden terstont affstellen ende destitueren, hem interdicerende van Staeten wegen, hem die pastorye noch predicken meer tonder wijnden. Welverstaende nochtans, dat den patronen, gifters ofte collatuers haerluyder recht geconserveert zall werden ende dat zij alzulcx inde plaetze vande gheer.en, die gedestitueert zullen wesen, andere zullen moegen presenteren ende tdien eynde zall dzelve patronen alzulcke destitutie geïnsinueert worden".

Art. 38. Allen „pastoren ende andere, die eenighe vicariën, beneficiën ofte geestelijcke ofliciën ten platten lande besitten moesten zij namens de Staten gelasten binnen een bepaalden tijd in te leveren „den staet vande goeden tot die voorss. pastoriën, vicariën, beneficiën ofte ofliciën behoorende" met pertinente aanduiding der plaats waar ze lagen, der gebruikers ervan, der huurprijzen etc., „metsgaders wie collatoiren ofte gifters vande voorss. pastoriën, beneficiën ofte ofliciën zijn"; „en zullen voor all die haer curen oif pastoryen nyet persoonlijck en bedienen noch aldaer resideren scherpelijck belasten, dat zyt zelve doen bennen zulcken tijt als zyluyden hen daertoe

ordineren zullen".

Art. 39. Van wereldlijke collators zouden zij ook pertinenten staat der goederen „tot die pastoriën ofte beneficiën thaerder collatie staende

behoorende" afeischen.

Art. 40. Zoowel van de possesseurs als van de collators der pastorieën en andere beneficiën moesten zij vorderen „te exhiberen die fundatiën, die zij vande voorss. pastoriën, beneficiën ofte ofliciën hebben, welcke fundatiën zy zullen in een registere doen registreren ende byden secretaris doen authentiseren".

Art. 41. Die weigerachtig waren moesten zij dwingen „bij peyne, ghyselinge, arrest van persoonen ende goeden, off by zulcke andere middelen als zy hier toe bequaem vijnden zullen".

Sluiten