Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

officieel werd uiteengezet, welk karakter de door de Staten beoogde en genomen maatregelen droegen en wat het standpunt der Staten in zake der Reformatie was *).

In hoofdzaak kwam de weerlegging hierop neer, dat de Staten betoogden, dat door de Geestelijkheid w. i. w. zeer terecht was aangevoerd, dat de Staten zich geenszins de geestelijke goederen wilden toeëigenen, dat zij enkel conservatie beoogden, doch dat zij één ding uit het oog had verloren, n.1. dat de Staten wel conservatie wilden, doch conservatie in verband met de gewijzigde tijdsomstandigheden, m. a. w. tevens reformatie.

De titel van dit antwoord luidde: „Memorie vande swaricheyden bevonden int advijs byde gedeputeerden vande vijfF Collegiën binnen Utrecht gegeven op de instructie vande gedeputeerden vande Staten van Utrecht gecommitteert om opsicht te nemen op de geestelijcke goeden" 2).

Ten aanzien van het standpunt der Kapittelen in het algemeen merkten de Staten op: „dat die Staeten inde tractaeten derinne verhaelt gheen veranderinge begeren te doen dan voor zoo veel de loop des jegenwoordigen tijts die veranderinge medebrengt ende vereyscht, om wijder inconveniënten te schouwen, die de veranderinge vande religie gemeenlick medebrengt"; een strikte en letterlijke toepassing dier overeenkomsten en

1) Als Mr. Verloren, 1. c. p. 412, verklaart: „Al dadelijk merken wij op, dat er, noch in Utrecht, noch zelfs, naar wij meenen, in eene der overige Provinciën, eenige ordonnantie, publicatie of soortgelijk stuk is te vinden, waarin de Staten zeggen, dat zij geen eigenaars zijn, of wel eenen anderen eigenaar hebben aangeduid of aangewezen", dan wil ik gaarne aannemen, dat Mr. V. een zoodanig stuk niet heeft gevonden, doch stel ik er terstond tegenover, dat de fout niet bij het stuk lag.

Het in den tekst meegedeelde stuk is er een, zooals Mr. V. het gewenscht had; en het is niet het eenige; in den loop mijner verhandeling hoop ik er nog meer te kunnen bijbrengen.

Overigens ware het m. i. toch meer in rede gefundeerd, zoo men de zaak omkeerde, en eischte, dat, om van een Staten-eigendom te kunnen spreken, de Staten zich eigenaar verklaard hebben, en niet dat wie dit eigendomsrecht, dat sedert de Reformatie zou ontstaan zijn, loochent, hiervan het bewijs levere.

2) Reg. no. 59 dl. I. ff. 46 sqq.

Sluiten