Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weynich discordantie bevonden werdt ende die oock meer procedeert vuyt onverstant ofte onverdachtheyt dan vuyt andere oorzaeke, soude men vuyt yeder Staet een ofte twee moegen deputeeren, die dvoorss. instructie met tgheene die vande Geestelijckheyt voor debath daerop geseyt hebben, ende dit jegenwoordige gescrifte metten anderen confereren ende die poincten differentiael zoo naer accorderen alst moegelick wesen zal; om van haer gebesoingeerden aen haer respective meesters rapport gedaen zijnde, voorts vuyterlijck inde zaeke te sluyten, zoo byde meeste stemmen bevonden zall worden te dienen, soo zulex sonder groote schade langer nyet vertoghen ofte vuytgestelt mach werden".

Ten gevolge van dit voorstel werden door elk der drie Statenleden uit hun midden gecommitteerden benoemd, om de instructie te herzien naar aanleiding der tusschen Ridderschap en Steden eenerzijds en Geestelijkheid andererzijds gewisselde overwegingen en beschouwingen.

Door deze gedeputeerden werden hier en daar wijzigingen in de instructie aangebracht en enkele toevoegingen ingelascht *).

Inmiddels drong de Stad Utrecht, dat niet langer met de volledige naleving der Orde zou worden getalmd; zij stelde een memorie op, inhoudende verschillende eischen, die zij te dezen opzichte vervuld wenschte te zien, welke memorie door haar den Staten werd ingediend 2).

Den ioden Aug. 1581 werden de Staten beschreven, o. a. om op deze Stadsvoorstellen, „ten eynde dat tgheene opde administratie ende conservatie vande Geestelickheyt ende haere goederen geordonneert ende oock by zekere instructie voor de gedeputeerde daer toe gestelt off te stellen realick ende mitterdaet ter executie gestelt mach worden", te besluiten. Ter uitvoering van het hierop genomen besluit3) werd door de

1) Reg. no. 59 dl. I. ff. 53 sqq. „Memorie van tgheene by die vande gedeputeerden van die vijff Capittelen, Ridderschap, Stadt ende Steden vanden Lande van Utrecht gedaen es opt different van die instructie, gemaeckt opde conservatie vande geestelijcke goeden".

2) Reg. no. 59 dl. I. ff. 56 sqq. „Memorie van tgecne te doen staet in die saeke van die vande Geestelickheyt".

3) Cf. p. 297.

Sluiten