Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

middelen van^ tonderhoudt vande zelve te advijseren, hebben die Staeten gccommitteert dordinaris Gedeputeerden ende die vande directie vande geestelijcke goederen" J). Uit deze resolutie blijkt klaar, wat de Staten bedoelden, als zij spraken van de reformatie van het platte land; er werd onder verstaan, dat de parochiën, die bevrijd waren van de hiërarchie der Roomsche Kerk die, zooals de Staten zelve verklaarden in haar memorie aan de vijf Kapittelen, vervallen was tegelijk met het verbieden van de Roomsche religie als onchristelijk — hetzij uit eigen beweging hetzij gedwongen zich in leer en eeredienst zuiverden van alle leeringen en ceremoniën , die in de H. Schrift niet te vinden waren en als menschelijke bijmengselen in een Christelijke Kerk niet konden worden geduld; meer niet; alle rechtsbetrekkingen , waarin de parochiën vóór dezen gestaan hadden, bleven gelden; de pastoor bleef wat hij was, mits hij maar geene onchristelijke dingen deed; begeerden de parochianen echter een volkomen gereformeerden predikant, dan konden zij er een beroepen, tenzij er ius patronatus bestond, en hem den Staten presenteeren ter approbatie, mits het de meerderheid was, die dit wenschte. Ter bevordering der Gereformeerde gezindheid op het platte land besloten de Staten drie predikanten van de gezindheid der St. Jacobsparochie in de parochiën te doen prediken 2).

Nog altijd was de Orde niet volledig uitgevoerd; de schuld lag nu evenwel niet meer bij de Kapittelen, die hun verzet hadden opgegeven, zooals uit het volgende blijkt.

Den 6den Oct. 1584 werd als 3<ie punt der beschrijving het volgende geformuleerd: „Item zullen die Staten believen te verclaeren, off zy dordonnantie op de conservatie vande geeste-

1) Reg. v. d. beschr. d. St.

2) Den Gereformeerden van de Minrebroederskerk was deze reformatie niet naar den zin. Den 3den Mei 1583 verschenen hunne predikanten Modetus, Sopingius en Helmichius in de Statenvergadering; zij verklaarden, dat het „reformeren van de pastoiren ende predicanten" ten platten lande wel „een Christelicke zaecke" was, waarvoor zij de Staten prezen en dankten, maar dat zij toch beducht waren en ook vernomen hadden, „dat hetzelffde nyet opten rechten voet ende regel des H. Evangelii aengeleyt zoude worden"; waarom zij om „een Christelijcke resolutie" op hun remonstrantie verzochten. De Staten gingen er niet op in. Cf. p. 256.

Sluiten