Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regelde deze regceringsrechten, geene eigenaarsbevoegdheden, zoodat de Staten zelve zich geen eigendomsrecht maar een regeeringsrecht, een recht op conservatie en reformatie toekenden en wie zou hun dit willen ontzeggen ? 13ovendien verleende de Unie geene rechten, maar in de Unie regelden de Provinciën hunne uit andere bron voortspruitende competentie, terwijl wat de religie betrof elke Provincie zich haar onverkorte souvereiniteit reserveerde, m. a. w. het recht om hieromtrent zonder bemoeienis der andere Provinciën, d. i. der Generaliteit, de maatregelen te nemen, die zij wenschelijk keurde.

De door Leicester 27 Nov. 1586 gegeven approbatie van de regeling van 1 i>j2i> Oct. van dat jaar werd verleend niet op de Orde, zooals Mr. Verloren meent1), maar op het Redressement, en niet, omdat de Edelen en de Steden er het verzet van het eerste Lid mee wilden smoren, maar uit eigen hoofde stelde Leicester ze op de regeling, om deze aan alle drie de Statenleden gelijkelijk op te dringen-'). Het gaat ook niet aan, de aan den Prins van Oranje gevraagde goedkeuring zonder meer door Leicester te laten verleenen, gesteld nu eens, dat aan Leicester werkelijk om goecikeuring gevraagd ware.

Een enkel woord nog over den competentiestrijd, die op het

stuk van de Geestelijkheid en hare goederen door de Staten eener-

1) L. c. p. 129. Toen de Staten 24 Oct. 1580 en 18 Apr. 1582 op hun regeling van het geestelijke-goederenrecht de approbatie van den Prins besloten te vragen, wilden zij zoo het verzet van het eerste Lid breken. Dit had langzamerhand zijn tegenstand opgegeven; in andere Provinciën was het nog wel anders met de kapittelen gegaan, zoodat de Utrechtsche regeling aan de Geestelijkheid geen reden tot klagen gaf. Cf. pp. 294, 312, 319, 320.

2) Op p. 41 van zijn Rapport weet Mr. Verloren mee te deelen, dat de goedkeuring van Leicester noodig was, omdat het Redressement „een diep ingrijpende maatregel was van staatsrecht", immers de onteigening van de geestelijke goederen!

De confirmatie van het Redressement door Leicester had dezelfde kracht als zijn confirmatie van de kerkorde van 1586: ze drong het geconfirmeerde aan de Staten op. Of dit nu naar recht geschiedde of niet laat ik in het midden; de Staten hebben in elk geval de wettigheid ervan niet betwist.

Cf. Mr. A. J. van Beeck Calkoen, „Observationes aliquot juris publici sacri in Hollandia", etc. ac. pr. Utrecht 1830, p. 108, die in de Leicestersche goedkeuring de bron ziet van het bindende gezag der kerkorde „omnibus provinciis suo imperio subject is".

Cf. Hooijer, O. K. p. 258.

Sluiten