Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijds en de Steden, voornamelijk Utrecht en Amersfoort, andererzijds is gevoerd; want ook hieruit blijkt, wat eigenlijk het onderwerp van den strijd uitmaakte en welk rechtskarakter de door de Staten genomen maatregelen (Orde, Instructie en Redressement) droegen 1).

Het betreft eigenlijk een zaak, die buiten mijn bestek valt, n.1. de verhouding van de macht der Staten en die der Steden, een staatsrechtelijke quaestie derhalve, die ik het niet waag op te lossen,- te minder, omdat ik in den toestand, zooals deze zich in de I7de eeuw voordoet, geene voldoende aanwijzingen vinden kan om in dezen een beslissing te nemen, daar het mij voorkomt, dat die toestand door een over en weer toegeven in het leven is geroepen.

Wij hebben reeds gezien 2), dat de Stad Utrecht den 4tlen Mei 1580 zich verzette tegen een regeling in zake van de Geestelijkheid en hare goederen door de Staten, die ook binnen het gebied der Stad zou gelden, en dat zij zich hierbij beriep op een Raadsbesluit van 1446; dat zij den 6<len Mei haar tegenstand tegen die regeling opgaf, onder protestatie nochtans, „dat zy nyet en verstaen, dat die Staeten eenighe jurisdictie vande Stadt ofte Stadtsvryheyt toecompt over die Geestelijckheyt ende haere goederen aldaer leggende", en onder voorbehoud, dat de Stad in haar geheel bleef3). Vóór 1580 — men denke slechts aan den religievrede — had de Raad van Utrecht in allerlei opzicht zich met de religie en de geestelijke goederen ingelaten, en ook na dit jaar bleef de Raad er zich mee bemoeien. In 1580 traden echter de Staten op hetzelfde terrein; en de Stad gaf hare aanspraken niet op, doch bepaalde zich ertoe, te consenteeren in de toen door de Staten te nemen maatregelen. De Staten van hun kant beriepen zich op de Unie, volgens welke de dispositie van de religie en van de geestelijke goederen den Staten competeerde.

Doch reeds vroeger was er tusschen de Stad en de Staten oneenigheid geweest; het klooster Oostbroek, schoon niet in

1) Cf. Mr. Verloren 1. c. pp. 118, 133, 140 sqq., 563.

2) Pp. 276, 277.

3) Cf. de Vroedsch. resol., 6 Mei 1580.

Sluiten