Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkel toezicht op het beheer, maar ook de administratie zelve hoorde ertoe 1). Een omvangrijke correspondentie had zij te voeren, ook met „Steden ende Heeren", zonder dat zij hare brieven van een „pitzier" kon voorzien: zij had er geen; dit nu stond „seer beroyt"; daarom werd van deze zaak een punt van beschrijving gemaakt: „te resolveren wat cachet die vande voorss. camere sullen doen maecken ende gebruycken" 2). Er werd evenwel geen beslissing op genomen. De Directiekamer zou trouwens toch niet lang genoegen hebben gehad van haar cachet. In ditzelfde jaar 1588 werd ze opgeheven.

Den 3den Juli 1588 verklaarden de Staten w. i. w. nog: „verstaen ende sijn oock eyntlick geresolveert die vande Directiecamer te mainteneren in haerluyder commissie"; doch den 9den Oct. van dat jaar werd ze reeds opgeheven, althans voorloopig.

„Opden negenden Octobris 1588 hebben die Geëligeerden, die gemeyne Edelen ende Ridderschappe vanden Lande van Utrecht, mitsgaders die Burgemeesters ende gecommitteerden vande Stadt Utrecht by provisie gesuspendeert, gelijck sy suspenderen by deesen, die vande Camere van directie vande geestelijcke goederen met haeren ontfangers, secretaris ende anderen officieren van haer ampt ende officie, hem interdicerende tselve meer te exerceeren, totdat byde Staten vanden

1) Art. 15 der instructie droeg haar het maken der huurcontracten van de kloostergoederen op, met medewerking voor de jufferen- en begijnenconventen van een gedeputeerde resp. van de Ridderschap en de betreffende Stad.

Hare notulen (21 Febr. 1587—24 Sept. 1588) zijn aanwezig op het Rijksarch. te Utrecht, Statennotulen no. 211. 21 Febr. 1587 waren aanwezig de drie leden, van Schade, van Parys van Zuydoort en van Malsen, met den secretaris van Enschede; de vorige secretaris Rodius was er niet, hoewel hem geïnsinueerd was aanwezig te, zijn, „ofte ten minsten over te leveren die sluetelen dienende totte cassen daerinne die panipieren concernerende die geestelijcke goederen gesloten sijn"; van dezen laatsten plicht kweet Rodius zich den volgenden dag door over te leveren „de sluetelen dienende totte casse ende camere vande voorss. directie". In de notulen van den loden Maart 1587 werd Rodius woordelijk genoemd „geweesene secretaris vande Directiecamere".

Vóór in het register harer notulen is haar instructie opgenomen (36 artt. groot), een omwerking (volgens art. 10 van het Redressement) van de instructie van 1581. Er werd alleen in gehandeld over de kloosters en hunne goederen.

2) Keg. v. d. beschr. d. St. Beschr. v. 6 Febr. 1588, punt 4.

Sluiten