Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch was dc Stedelijke Overheid ten opzichte dier andere kerken geen Opperkerkmeester — dezen term heb ik dan ook alleen aangetroffen in verband met de parochiekerken —, zoodat zij bv. de rechtshandelingen van de Kapittelen, a. h. vv. de kerkmeesters der kapittelkerken, niet had goed- of af te keuren, en geene kerkmeesters over deze had aan te stellen; toch benoemde zij ook hier den koster en den organist. Dit benoemingsrecht had alzoo een anderen grond. Wat de parochiekerken aangaat kan men het Opperkerkmeesterschap als grond beschouwen !), daar dit op tal van punten met het Voedsterheerschap samenviel; het eerste omvatte echter deels meer dan het laatste, deels minder. Deze grond mag niet gezocht worden in het feit, dat de Stad desnoods de kerken onderhield, zooals de samenkoppeling dezer twee gedachten in art. 19 van den religievrede wellicht zou doen vermoeden; want de Stad onderhield dc kapittelkerken en de Cathrijnekerk niet. De grond ervan was, dat de Stad deze functionarissen bezoldigde, m. a. w. haar positie van Voedsterheer der Kerk. De benoeming (en het ontslag) geschiedde veelal door de Burgemeesters, terwijl de Raad het tractement regelde en zoo de benoeming bekrachtigde ; de Raad benoemde zelf echter ook wel 2). Dat de Kerk deze benoeming buiten haar om niet altijd zonder protest gelaten heeft, ligt voor de hand. Zelfs in de parochiën was er wel eens neiging, om wat zelfstandiger te zijn; den Kden jun; l61I achtte de Raad het althans noodig, om aan „kerekmeesters ende gemeene gebuyren vande respective parochiën van Ste. Nicolaes ende Geertuyden kereken", te gelasten, niet „te procederen tot anneminghe van een coster ende schoolmeester van haer-

1) Cf. de Vroedsch. resol., 14 Mrt. 1660; de Burgemrs. berichtten, dat zij „als Opperkerckmeesters met de jegenwoordige kerekmeesters vande Buyr- ende Nicolaikereken" tot organist hadden „geadmitteert ende gestelt" C. v. Valbeeck, „jongmusicant". De Raad bepaalde, dat nu de toelage van ƒ 50, die hij uit „de goederen vant Begijnhof" „tot vordering van sijne ongemeene progressen inde musick" genoot, zou ophouden.

2) Cf. o. a. de Vroedsch. resol., 23 Juni 1579; 10 Jan. 1586; 6 Apr., 29 Mei, 16 Nov. 1590; 6 Febr. 1604; 10 Apr. 1609; 9 Juli, 10 Sept., 3 en 24 Dec. 1610; 9 en 11 Sept. 1611, 25 Aug. 1656, 14 Mrt. en 18 Juni 1660.

Sluiten