is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Utrechtschen kcrkcraad daarom een remonstrantie overgegeven '), waarin den Staten verzocht werd, „eens ordre te stellen tot behoorlijcke ende eenparige bedieninge der kereken ten platten lande onder uwer E.E. jurisdictie geseten", gelijk hij reeds zoo dikwijls gevraagd had; als Christelijke Overheid waren de Staten hiertoe verplicht, en geene andere werkzaamheden mochten hen hiervan afhouden; als leden der Kerk, die „haren halsen loflijck onder 't soete jock onses Eerts-herders Jesu Christi doer de Boet-Tucht gebogen hebben", waren de Staten gehouden de vermaningen van den kerkeraad, „als de mont des Heeren in dese stadt sijnde", ter harte te nemen, zooals het betaamde aan hen, „welcken de Heere door sijne naerder kennisse begenadigt ende verlicht heeft"; het was dringend noodzakelijk, „om dat in verscheyden plaetsen noch botte, ongeleerde, onvernuftige Papen geleden ende opgehouden werden, tot veler menschen onheyl ende eenen groten blaem over dit land in alle de genabuerde omliggende Provintien, in de welcke des Heeren naem hierom dagelijx gelastert werd. Waaruyt ook dit noch verner ontstaet, dat de schadelijcke jesuyten ende andere Paepsche gesinden lanx soo meer inbreecken ende quaet doen".

Het duurde nog tot den ^den Ju^ '593> voordat de Staten een commissie benoemden om den toestand der plattelandskerken te onderzoeken: „omme eerstdaechs samentlijck te doen eene visitatie over den gehelen platten lande van Utrecht ende haer op de qualificatiën vande predicanten, kerekendienaren ende schoolmeesters ten platten lande, mitsgaders vande gebreecken, die sy aldaer sullen bevijnden, te informeren, daervan getrouwe annotatie ende rapport te doen"; en ook deze commissie werd niet benoemd dan toen op den gemelden 3den Juli in de Statenvergadering verschenen waren drie gecommitteerden

l) Deze remonstrantie en het door de gecommitteerden van de Staten den 3isten Oct. 1593 ingediende rapport vindt men in de Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap, gevestigd te Utrecht, Dl. VII. pp. 186 sqq.

Uit dit rapport blijkt, dat in 1593 vele kerken nog „besmet" en „becladt" waren met „superstitieuse dingen" als altaren, geschilderde beelden „ende andere reliquicn van 't pausdom", en „afgodysche ende superstitieuse" en „onschrifruermaetige geschreven spreucken".