Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en meer onafhankelijk zijn geworden, dient als fait accompli te worden erkend; een teekenend voorbeeld van dezen gang van zaken wordt gegeven door hetgeen het op p. 373 vermelde rapport omtrent de kerk van Jutfaas bevatte; oorspronkelijk ontving „de gansche gemeynte" van de kerkmeesters rekening en verantwoording, doch, omdat velen hierbij waren weggebleven, geschiedde het sedert alleen voor het Gerecht; en door het aangaande Tarnen meegedeelde, dat n.1. oorspronkelijk door pastoor en buren de kerkmeesters werden gesteld, doch dat sedert de proost van St. Jan deze benoeming aan zich had getrokken.

Gelijk het in het staatkundige is gegaan, zoo ging het ook in kerkelijke verhoudingen; de parochianen traden op den achtergrond ten bate der regeering, in casu de kerkmeesters, hetgeen bevorderd werd door de positie der plaatselijke Overheden als Opperkerkmeesters, die met de kerkmeesters de stoffelijke belangen der kerken behartigden, meer en meer op vaderlijke wijze 1).

Nog een kort woord over de „opening" van de kerken ten platten lande. Gebleken is, dat de kerkgebouwen en kerke-

die kerk en pastorie beheerden namens de geërfden van Veenendaal, onverschillig of die geërfden tot de Gereformeerde kerk behoorden of niet; de Veenraden hadden ook nog andere werkzaamheden, bv. het regelen van de markten. Op dit request hoop ik later terug te komen. Voorloopig kan ik met het medegedeelde volstaan.

Notulen v. h. Admin. Bestuur v. Utr., 28 Nov. 1798. Rijksarch. Utr.

1) Cf. het volgende. „Condietsie ende Bestek waernaer dat de regenten vant dorp en van de kerk tot Bentschop, op approbatie van die van de Raden en rekemngh van Sijn Hoogheyt mijn Heere den Prince van Oiange willen besteeden den arbeytloon van timmerwerek tot reparatie ende herstellinge vande kerek aldaer'. Volgen de conditiën en het bestek. „Aldus int openbaer besteet den 6/16 Augusti deses jaers sestien C. negen ent seventigh binnen den dorpe van Bentschop ten overstaen van Schout, Burgemeesteren, Schepenen, mitsgaders predicant ende kerekemeesteren vande kereke van Benschop".

Ook is te dezen aanzien niet onbelangrijk de ordinantie van „Schout, Burgemeesteren ende kerekmeesteren vande kereke van Benschop" omtrent de onregelmatigheden, waartoe de stoelen in de kerk aanleiding gaven, die den ioden Dec. 1702 werd gepubliceerd, en waarin o. a. bepaald werd, dat ieder, die er een stoel had staan „ten behouve vande voorss. kereke" betalen moest 10 stuiver per jaar aan handen van den schoolmeester, op straffe van zijn stoel te moeten wegnemen,

Arch. d. gemeente Benschop.

Sluiten