Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deren dus nog in hun ouden staat; de maatregelen der Stad hadden hoofdzakelijk slechts conserveerende strekking gehad; de enkele bescheiden pogingen tot reformatie in overeenstemming met de gewijzigde religie waren op niets uitgeloopen.

Van artikel 5 der Orde (28 Juni 1580), dat o.a. voorschreef, dat de inkomsten der in de parochiekerken van de Stad Utrecht gefundeerde broederschappen tot bezoldiging der predikanten zouden worden aangewend, is door de Stad geen gebruik gemaakt *). En evenmin is art. 5 van het Redressement op dit stuk uitgevoerd, hoewel in de acte van aanstelling van een ontvanger ingevolge van dit artikel d.d. 28 Oct. 1586 (F. v. Weede) en in zijn instructie d.d. 10 Juli 1587 hem ook uitdrukkelijk de inventarisatie en ontvang dier goederen en inkomsten werd opgedragen 2).

In den aanvang van 1582 (15 Jan.) machtigde de Raad „de

1) De Staten zelve hebben zich overigens nret de stedelijke broederschappen nooit ingelaten; art. 50 der instructie voor de Directiekamer (29 Juli 1581) bepaalde, dat deze inventariseeren zou de goederen van alle broederschappen, zoo in de Steden als ten platten lande; resultaten heeft het niet gehad.

Omtrent de broederschapsgoederen werd in de Orde derhalve door de Staten in principe dezelfde beschikking genomen als over de vicariegoederen: ze zouden dienen tot predikantsbezoldiging.

Nu moet iemand al een verstokt dogmaticus wezen, om in deze bepaling een bewijs van een Stateneigendomsrecht te zien; hij moet nu eenmaal als opperste waarheid voorop stellen, dat, als over goederen beschikt wordt, dit per se een bewijs is van een eigendomsrecht.

De Staten hebben zich echter met dit hun eigendomsrecht verder niet bemoeid ! Mr. Verloren zou, had hij zich over de broederschapsgoederen uitgelaten, op de gronden, die hem zijn conclusie omtrent de vicariegoederen gaven, tot dezelfde slotsom voor de broederschapsgoederen hebben moeten komen; hij zou dan echter wel gezien hebben, dat de feiten en de theorie al te zeer uiteenliepen Of is de bedoeling van Mr. V., dat de Staten door de uitvoering van dergelijke algemeene bepalingen, als in Orde en Redressement werden gesteld, het eigendomsrecht der betrekkelijke goederen verwierven? 't Is niet wel uit zijne beschouwingen op te maken; ik ontvang den indruk, dat Mr. V. dit onderscheid niet voldoende heeft gevoeld.

2) In art. 26 dier instructie begonnen de Staten evenwel reeds een terugtrekkende beweging te maken: de goederen der broederschappen etc., in de Steden gevestigd, mocht hij zich niet aantrekken zonder uitdrukkelijken en schriftelijken last in concretis van de Directiekamer; dat dit college in de Steden nauwelijks iets heeft kunnen uitvoeren, is ons reeds gebleken en zal nog nader blijken.

Sluiten