Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kerckmeesters inder tijt van Sint Jacobskercke", om al de broederschappen in hun kerk gelegen, „te mogen componeren, van hare goederen te willen incorporeren" ten behoeve van het maken van een nieuw uurwerk, van het onderhoud der kerk, van de predikanten en van de armen x).

Of de kerkmeesters succes met hun componeeren hebben gehad ?

Waarschijnlijk is het niet, met het oog op het feit, dat de Raad den 30sten Juli 1582 wederom eenige gecommitteerden nomineerde, om van de procurators van „alle de broederscappen zijnde gelegen inde parochiekercken deser Stadt, ende alle andere broederschappen ofte vergaderingen" af te eischen staat en inventaris van al hunne goederen, en de onwilligen er toe te dwingen !).

Hoogstens heeft men van de broederschappen eenige bijdragen voor kerkelijke doeleinden weten te verkrijgen; in elk geval behielden ze hunne goederen. Het optreden van den Raad werd er niet krachtiger op. Den 13 den Oct. 1590 benoemde hij vier uit zijn midden, „om sich t'inquireren op alle broederschappen inde kerspelkercken geweest sijnde, ende dselve te induceren, dat zy het innecommen ofte ten minsten een goede portie vandien willen laten volgen tot onderhout der armen" *). Derhalve drang, geen dwang. Uit dit „geweest sijnde" zou men prima facie afleiden, dat de broederschappen niet meer bestonden. En wanneer men dan verder ging bespiegelen over het wezen eener broederschap, hoe zij een product was van opvattingen deel uitmakende van een specifiek Roomschen gedachtengang2), hoe deze ten gevolge der Reformatie a!s onchristelijk waren verworpen, dan lage de gevolgtrekking voor de hand, dat de broederschappen door de Reformatie waren opgeheven en hare goederen bona vacantia waren geworden; en wanneer men dan dit „geweest sijnde" las, dan zou men opinionem fundatam meenen te hebben. Toch ware de conclusie onjuist; vooreerst, omdat dergelijke abstracte redeneeringen

1) Vroedsch. resol.

2) Mr. van Riemsdijk noemt ze „eene uiting van een zuiver katholiek godsdienstig begrip", 1. c. p. 182.

Sluiten