Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit leeren kunnen, hoe het in de werkelijkheid gegaan is, maar enkel hoe het had kunnen gaan; en ten tweede, omdat uit den samenhang met de reeds meegedeelde en nog mee te deelen feiten duidelijk is, dat dit „geweest sijnde" niet doelt op het bestaan der broederschappen, maar op den vorm, waarin zij zich vóór de Reformatie openbaarden; toen waren zij in de kerken, d. w. z. hadden zij in de kerken hunne altaren, werden in de kerken de religieuze ceremoniën, welker verrichting tot haar taak behoorde, volbracht, waren de kerken het centrum van haar werkkring, waren zij a. h. w. in de kerken gedomicilieerd; thans was al haar geestelijk werk onmogelijk geworden; slechts enkele andere harer functiën schoten over, het houden van maaltijden etc.; of algemeener: toen waren het broederschappen in den vollen zin van het woord, thans waren het er slechts de overblijfselen van, nog wel broederschappen, doch zoo van wat ze vroeger waren vervallen, dat met het oog op het verleden gezegd kon worden, dat het broederschappen „geweest" waren. Daarom poogde de Raad dien werkkring te reformeeren, door in de plaats der oude andere pii usus te schuiven, als onderhoud van kerk, predikanten en armen; hierbij trad hij" meer dringend dan dwingend op; het succes, dat hij hiermee had of niet had, doet tot de zaak zelve niets af. Genoeg zij, dat de broederschappen door de Reformatie niet zijn opgeheven, dat alleen hare functiën er door zijn beperkt *); en dat de Overheid trachtte deze functiën in overeenstemming te brengen met de gereformeerde religie, dat zij ze m. a. w. trachtte te reformeeren. Dat de Raad, Iaat staan de Staten, eigenlijk van die goederen het eigendomsrecht als van bona vacantia had verworven of althans kon verwerven, was den heeren zeiven onbekend 2).

1) In denzelfden zin, Mr. v. Riemsdijk 1. c. p. 175.

2) Cf. de resolutie van 26 Juni 1615. Door H. P. Duyfhuys was een request ingediend, waarin hij den Raad verzocht, dat het den procurators der St. Ewou'.sbroederschap mocht worden „gepermitteert ende toegelaten", dat zij hem een door hem afgelosten erfpacht, „gaende uyt seven hond lants gelegen inden gerechte van Schalckwijck", mochten „transporteren ende quiteren". Op dit verzoek werd

Sluiten