Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af te zien en de zaak in haar vorigen staat te laten; en het antwoord op dit bezwaarschrift door de Burgemeesters den Staten overgegeven '). Deze strijd is van algemeener belang dan het voorwerp ervan; hij werpt een helder licht op het standpunt door de Overheid sedert de Reformatie ten opzichte der geestelijke goederen, van welke die der broederschappen een deel uitmaakten 2), ingenomen. Uit dezen hoofde wil ik er dan ook niet vluchtig over heen loopen.

De Heer van Moersbergen dan verdeelde zijn betoog in drie stukken; i°. „ofïf die voorverhaelde goederen competeren die stadt van Utrecht ofte die respective broederschappen" ; 2°. „off die selve broederschappen schadelijck ofte profijtelijck in onse Republycke zijn"; 30. „off die voorgeseyde broederschappen kunnen gecasseert worden sonder quetsinge vande fundamenten van onsen Staet."

Ad ium. Uit de fundatiën, donatiën etc. bleek, dat de goederen gelegateerd en geschonken waren aan de broederschappen, die gefundeerd waren „tot een goet ende Christelijck eynde", „omme vrede ende eenicheyt onder die Eedelen, borgeren ende andere ingesetenen van dese Provintie ende Stadt te onderhouden". Waren het Stadsgoederen geweest, dan zouden de vroegere Stedelijke regeeringen zich de goederen al lang hebben aangetrokken, ,,'t Is nu notoir, mijn heeren, dat geene Magistraten geoorloft is yemant het sijne te benemen"; wel mocht de Magistraat orde stellen en misbruiken weren; maar waren die er wel? „voorwaer mijn heeren, salmen alle die gheene haere goederen aenslaen ende tot het tuchthuys appliceren, die altemet eens bijden anderen vrolijck sijn, het tuchthuys sal haest rijck sijn".

Wat voor kwaad stak er in, dat lieden zoo nu en dan eens bij elkaar kwamen, hoogstens eens per jaar, en dan „meervan goet chier maecken als van saecken van importantie" spraken?

Aan den opstand van 1610 hadden de broederschappen q. q. geen schuld; de individueele leden moest men straffen, maar

1) Bijdr. en Meded. v. h. Hist. Gen. gev. te Utr., 1882, pp. 390 sqq.

2) „Geestelijk" te verstaan in den sedert de Reformatie gebruikelijken zin. Cf. pp. 8, noot.

Sluiten