Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Strikt genomen kwam rechtens — het tweede punt betrof een vraag van doelmatigheid — het betoog neer op de stelling, dat niemand, ook de Overheid niet, een ander van zijn goed mag berooven, in concreto versterkt door de artt. 24 en 25 der Unie.

Derhalve hetzelfde standpunt, dat in 1899 door Mr. S. Muller Fz. werd ingenomen, toen hij de maatregelen van den Raad in 1634 ten opzichte van het Domkapittelhuis beoordeelde, een standpunt, van hetwelk uit de quaestie, waar het eigenlijk om gaat, niet begrepen kan worden.

Het antwoord der Burgemeesters was uitvoerig, en m. i. onwederlegbaar, althans in de hoofdzaak.

Zij begonnen met er op te wijzen, dat „eertijts in die groote I auselijcke duysterheyt" broederschappen waren gefundeerd «tot gansch een ander eynde danse tegenwoordich werden geëmployeert ende misbruyekt"; en dat dit misbruik strekte tot „blame der Christelicke Gereformeerde religie", waarom door de Stedelijke Regeering naar „redressement van de Broederschappen" werd gestreefd; waartoe een onderzoek was ingesteld , dat getoond had, „hoe schandelijck dselve goederen bij velen wierden geconsumeert ende verquist". Daarom was besloten de broederschappen, als leidende tot uitspatting, en „niet wesende dan periculeuse conventiculen, neffens dat het sijn grove overblijffselen en de groote voedingen van het Pausdom", „aff te schaffen en de inkomsten „te converteren tot een beter ende prijselijcker gebruyek".

De procurators en de broeders dier societeiten, „verstaende de goede ende Christelijcke meyninge van die vande Magistraet", hadden zich dan ook nauwelijks tegen de resolutie verzet.

De Staten zelve hadden ten platten lande reeds sommige broederschappen „afgeschaft' „ende den incomen dacrvan ten dienste vande fabrike der kereken ende andersins geordonneert".

Vervolgens gingen zij de drie door den Heer van Moersbergen gestelde punten na.

Ad ium. De Magistraat wist wel, dat de broederschapsgoederen hem „niet directelijck ofte eygentlijck als Stadtsgoederen en competeren", doch dit nam niet weg, dat hem „als superintendenten de directie, authoriteyt ende macht over

Sluiten