Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet enkel als fundatie, zooals veelal geschiedde; haar reformatie beperkte zich tot het strikt noodige; alleen wat in de Gereformeerde bedeeling voor kettersch gold en derhalve van staatswege verboden was, werd geschrapt; voor het overige bleef alles bij het oude.

Omtrent deze broederschap nog het volgende.

Den isten Dec. 1631 verleenden de Gedep. Staten approbatie op een door den procurator, G. v. Blanckendael, en eenige broeders met J. A. Duysch gesloten accoord d.d. 6 Nov. 1631, den 24sten dier maand door de gansche broederschap bekrachtigd.

De procurator verzocht hierop agreatie en approbatie, om zoodoende aan den genoemden Duysch, „een arm ende onnosel mensch", grootere zekerheid voor de hem in het accoord beloofde uitkeering van ƒ. 100 'sjaars te verschaffen; de broederschap kon het lijden, daar haar inkomen ten gevolge van den verkoop van land en de belegging der kooppenningen vermeerderd was geworden. Een staat van de inkomsten en uitgaven der broederschap werd overgelegd, d.d. 6 Nov. 1631.

Haar inkomen bedroeg ƒ. 314 en 11 st., behalve de opbrengst van bussen, jaarlijks gezet voor de uitdeelingen van turf, die elk jaar aan de armen geschiedden.

Bovendien waren er nog goederen, die bij de kerk en de pastorie waren geïncorporeerd, die men met autorisatie van de Staten zou kunnen „uytbosemen", en waarvan het inkomen dan aan de armen zou kunnen worden uitgekeerd.

De uitgaven bestonden in turf en andere uitdeelingen aan de armen; f 100 voor den jaarlijkschen maaltijd der broeders; de jaarlijksche reparatiekosten voor het uurwerk van den toren, die den koster werden betaald; het loon van den bode; en de alimentatie van den genoemden Duysch.

De kosten voor het uurwerk waren onbillijk, zeide de procurator ; niet de broederschap maar de gemeente moest ze betalen ').

I) Reg. no. 59. Derde mem. etc. ff. 161 vo. sqq. Cf. nog voor (leze broederschap het besluit der Ged. St. van 20 Jan. 1654, houdende goedkeuring van den afkoop van een aan de broederschap' competeerenden erfpachtscanon en van de belegging van het geld op een Statenkantoor of op „andere goede ende vaste hypotheque in deze Provincie". Reg. 110. 59- Zevende mem. ff. 595 vo. sqq.

Sluiten