Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet toe overgingen, zou de Raad zelf een repartitie opmaken en het aandeel van elk kapittel invorderen bij executie !).

Ook de Kapittelen wendden zich tot zijn Excellentie; zij verkregen van hem een bevel tot schorsing der excecutie, dat den 2den Mei 1586 door een deurwaarder van den Raad van State aan den Raad werd beteekend, die erop besloot te antwoorden 1). De schorsing schijnt later weer opgeheven te zijn 2).

Kort daarop, in October, kwam het Redressement tot stand, dat in art. 5 bepaalde, dat de Stad niet meer afzonderlijk voor hare eigen predikanten zou zorgen, doch dat alle goederen in dit artikel opgesomd, waaronder „die penningen, die die voorss. vijff Collegiën contribueren tot onderhoudt van de ministers inde Stadt achtervolgende taccort" in „eene masse" zouden worden gebracht, die beheerd zou worden (cf. art. 7) door een rentmeester onder toezicht van de Directiekamer3).

Kennelijk trachtte men op die wijze èn de geit èn de kool te sparen: de Stad zou bevrijd worden van het onderhoud der predikanten en de Kapittelen behoefden niet meer dan ƒ. 1400 te betalen.

Dit plan is echter niet verwerkelijkt; de Raad zou er een te krachtig wapen mee verloren hebben, om de predikanten klein te houden, wanneer hij niet meer als betaalsheer tegenover hen stond, een positie, die hem niet lang behoefde te doen zoeken naar een grond ter rechtvaardiging van zijn mede-, soms wel toegespitst tot alleenzeggenschap in het beroepen en afdanken van predikanten; terwijl het in het algemeen een inbreuk ware op de machtssfeer, die, gelijk wij reeds

1) Vroedsch. resol. 29 Dec.: binnen 3 dagen moesten de Kapittelen gehoorzamen, „op pene datse mit soldaten bezwaert zullen worden, tot datse dselve bevelen voltogen sullen hebben". Zij weigerden, zoodat de Raad besloot, 5 Jan1586, ze met Engelsche soldaten te bezwaren, de rijkste met 6 de andere met 4.

2) Cf. de Vroedsch. resol., 20 Mei, 6 Juni 1586. Den I3den Juni 1586 besloot de Raad wederom de Kapittelen met soldaten te bezwaren.

3) Art. 10 der instructie voor den rentmr. der Geben. Goederen (Cf. Mr. Verloren 1. c., bijlage A. 14) luidde: „allen welcken ontfanck hij gehouden wort te employeren, eerst tot onderhout vande ministers in der Stadt, Steden ende landen van Utrecht staende, sulcx hem by de Gedeputeerden voorss. geordonneert sal worden".

Sluiten