Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer gesloten worden door de Directiekamer (die er trouwens niet meer was) en den rentmeester der Geben. goederen; desverkiezende konden de predikanten de inkomsten der pastorieën zelve innen.

In de instructie van den rentmeester der Geben. goederen van 28 Juni 1592 x) werd weer een andere regeling getroffen: verhuring van pastorielanden etc. zou geschieden door dien rentmeester ten overstaan van gecommitteerden van de Staten (art. 15); zoo er echter een „possesseur" der pastorie was, zou deze te zamen met den rentmeester de verhuring bewerkstelligen (art. 17) 2).

In het rapport der commissie benoemd tot het visiteeren der kerken ten platten lande (Cf. p. 373) werden naast de kerkegoederen als met deze op één lijn staande de andere soorten van goederen, in de kerken gefundeerd, als kosterie-, pastorieen vicariegoederen, behandeld; van de kerkegoederen meen ik te hebben bewezen, dat ze geene Provinciale domeinen zijn geworden; waarom deze andere goederen het wel zouden geworden zijn, is niet in te zien, vooral niet, als men zich herinnert, dat de parochiën, te wier behoeve die goederen gefundeerd waren, in wezen zijn gebleven.

Van de pastoriegoederen werd erin gesproken als van een vermogen ten behoeve van een ambt gefundeerd, van een eenheid, een „corpus", een „beneficium". Nu houde men in het oog, dat het ambt, waaraan ze verbonden waren, door de Reformatie niet was opgeheven maar enkel gereformeerd —• hetgeen bij de behandeling van het collatiereeht nog nader zal blijken —, zoodat er niet de minste reden bestond om de eraan verbonden goederen te naasten. Ook bedenke men, dat het woord „corpus" gebezigd placht te worden, als er sprake was

1) Sc. Simon Claesz. van Blanckendael, 28 Juni 1592 door de Gedep. Staten tot ontvanger der Geben. goederen benoemd, als opvolger van F. v. Weede.

Cf. zijn acte van aanstelling, vóór in zijn rekening over 1618; zijn aanstelling en zijn eedsaflegging benevens zijn instructie worden ook gevonden in het reg. v. comm. en instr., aanv. Oct. 1588, ff. 230 sqq.; de commissie en de instructie zijn er gedateerd 28 Juli 1592.

2) Den predikant schijnt men dus niet als eo ipso possesseur der pastorie te moeten beschouwen. Of hij het was hing af van zijn aanstelling. Later hierover meer.

Sluiten