Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heer of het Dorpsgcrecht. De predikanten beheerden dus niet zelve de pastorieën; op de inkomsten ervan hadden zij geen recht; tenzij natuurlijk in concreto kan worden aangetoond, dat een predikant tot bezitter van het pastorale benefice werd benoemd, hetgeen echter hooge uitzondering zal geweest zijn !). Bezitter van het pastoorsbenefice was wie het beheerde en zijne inkomsten beurde, in den regel dus de rentmeester der Geben. goederen. De predikanten hadden enkel aanspraak op het vaste, door de Staten geregelde predikantstractement2). Wanneer de Staten het bezit eener pastorie aan een Ambachtsheer of een Gerecht geschonken hadden, mocht het overschot der inkomsten aangewend worden volgens de bepalingen ge-

I) Het Utr. recht derogeerde dus aan het algemeene, volgens hetwelk een tot predikant benoemde recht had op de inkomsten van het pastorale benefice, als

gereformeerd pastoor.

Een voorbeeld van de collatie van de pastorie vond ik in de begeving der pastorie van Ophemert door de Gedep. Staten, IO Dec. 1599* overwogen, zij eerst onlangs bemerkt hadden, „dat van alle oude tijden die pastorie van Ste. Lambertsparochikercke tot Ophemert gestaen ende behoort heef., ende alsn staet tot de collatie, provisie ende dispositie vander Abdye van Sinte Paulsclooster t'Utrecht"; dat ze wegens de troebelen, die de oorzaak waren, dat daar „als wesende een frontierplaetse" geene pastorieën bediend konden worden , lange jaren ledig had gestaan; en dat het thans noodig bevonden werd, dat er een „pastoor gesteld werd, „tot conservatie der goederen daertoe specterende", die „behoorlijck opsicht" houden moest en voorts alles moest doen, „dat een pastoor behoort te doen". Namens de Staten, „als dadministratie van dvoors.-. abdiegoederen hebbende", verklaarden zij „deselve pastorie mit allen haren toebehoren ende gerechticheden" „puerlick ende simpelick" te „confereren ende geven" aan Mr. Thomas Ilysinck Anthoniss., burger te Utrecht, daartoe „nut ende beqoaem", „versouckende allen denghenen, die sulx competeert ende daer toe sullen werden versocht, denselven Mr. Thomas alle behulp ende adsistentie te doen ten eynde hy tot het volle gebruyek ende possessie der voorss. pastorie mach geraecken". Reg. v. comm. en

instr., beg. 29 Oct. 1594> f- 27l vo-

2) Dr. Kleyn (1. c. pp. 247, 248) betoogt zeer te recht, dat de Gereformeerde

kerken van de pastoriegoederen evenmin als van de kerkgebouwen en kerkegoederen

het eigendomsrecht hadden.

Hij vergist zich echter, als hij meent, dat de predikanten er geen recht op hadden; dit komt, omdat hij de predikanten niet erkent als gereformeerde pastoors, hetgeen zij toch in den regel waren. In Utrecht hadden zij dit recht w. 1. w. niet, want zij waren geene bezitters der pastoiieün; dit was enkel een gevolg inhoud van de acten van benoeming; in concretis kon het zeer wel ande Dr. K.'s conclusie is juist, zijne premissen niet.

Sluiten